Posts tonen met het label jeugdsentiment. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jeugdsentiment. Alle posts tonen

vrijdag 29 september 2017

OOGJES DICHT EN SNAVELTJES TOE

Op 29 september 1968 werd de allereerste aflevering van De Fabeltjeskrant op TV uitgezonden. Mijn zwangere moeder was direct fan en kon niet wachten tot ik geboren zou worden, maar ze moest toch nog even een paar maandjes geduld hebben. Tja, all good things come to those who wait, maar dan heb je ook iets. 😉

Mijn eerste indrukken van deze wereld werden vrolijk gekleurd door een bonte verzameling multiculturele fabelwezens aan de muur, in mijn wiegje, op het badje en om mijn (toen nog) milieuvriendelijk katoen-geluierde babybilletjes. Zoef de Haas, Juffrouw Ooievaar, Juffrouw Mier, Lowieke de Vos, Bor de Wolf, Ed en Willem Bever en natuurlijk Meneer de Uil: ze waren allen getuige van mijn komst op deze aardkloot.

Mijn moeder was normaliter totaal ongevoelig voor marketing en merchandise, behalve waar het de Fabeltjeskrant betrof. Je kon het zo gek niet bedenken of ze 'verwende' mij ermee: handdoekjes, slabbetjes, wanddecoraties, knuffels, bordjes, bekertjes en andere goedbedoelde prullaria. Je kunt je voorstellen dat ik dan ook dolgelukkig was met de eindeloze herhalingen in de daaropvolgende halve eeuw en een al-heel-lang-niet-meer-zwangere moeder die om de zoveel tijd met een Fabeltjeskrantboekje of een mok met Meneer de Uil erop kwam aanzetten. "Voor jou. Jeugdsentiment! Leuk he? Later ben je er vast blij mee."

Maar de warmste herinnering koester ik toch aan het moment waarop ik elke avond om zeven uur op moeders schoot voor de kijkbuis zat. Met natte haartjes van het badderen, Johnson's babylotion nog achter mijn oren en lekker  warm weggedoken in mijn Fabeltjeskrantpyjama. En na de dagelijkse avonturen uit het Grote Dierenbos gaf Meneer de Uil mij met een knipoog te kennen dat ik mijn snavel moest houden en naar mijn warme nestje moest (wat ik toen nog uiterst braaf en gehoorzaam deed). Dat waren nog eens tijden..

Ik neem nog maar eens een slok chocomel uit mijn Meneer de Uil mok en bekijk de allereerste aflevering van de Fabeltjeskrant op YouTube. Jeugdsentiment. Bedankt, mam. Ik ben er blij mee.

©Anneke van de Casteele



vrijdag 23 juni 2017

De Girl Power van Rozemarijntje

"Ik kán best!" was Rozemarijntjes motto. Met deze woorden begint ook het eerste Rozemarijntje-boekje van W.G. van der Hulst uit 1933. "Ik kan best!" Of het nu ging om het beklimmen van het trapje van de grote stoomtrein, of om iets anders gevaarlijks wat kleine meisjes van een jaar of vijf eigenlijk nooit durven: zij durfde het wel! Rozemarijntje had Girl Power avant-la-lettre. Een kleine ode aan een kleine, oude jeugdheldin.

Mijn moeder kocht de boekjes om er mij uit voor te lezen, ergens begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze kende Rozemarijntje nog uit haar eigen jeugd en kamde diverse boekhandels uit, net zo lang tot ze alle deeltjes bij elkaar had gevonden. Hele volksstammen behulpzame boekverkoopsters in minirok of hot pants trachtten haar allerlei hippe kinderboeken te slijten, als alternatief voor de in hun voorraad ontbrekende 'brave' boekjes uit een grijs verleden. Tevergeefs. Het moest en zou Rozemarijntje zijn en niemand anders.

Rozemarijntje was een vrolijke wildebras, die er niet voor schuwde om in een boom te klimmen of op de rug van een koe. Uiteraard gleed ze van de rug van de koe af en belandde ze pardoes midden in een verse (en vooral geurige) koeienvlaai. Net als mijn moeder, toen ze Rozemarijntjes leeftijd had. Het kostte mijn moeder een paar splinternieuwe witte lakschoentjes en minstens een week buitenspelen. 

De kleine Rozemarijntje was niet alleen stout, ze was ook stoer. Ze liep niet in zeven sloten tegelijk, nee, zij niet. Zij durfde alles en ze was voor niemand bang. Als haar beste vriendje op school werd gepest, nam zij het voor hem op. Ze was bovendien ook lief voor dieren en ze hielp oude en zieke mensen, waar ze kon. De wereld heeft vandaag de dag dringend behoefte aan meer Rozemarijntjes.

Wie door de protestants-christelijke 'moraal in elk verhaal' heen prikt, zal zich ook vandaag de dag nog opperbest vermaken bij het lezen van de vrolijke avonturen van Rozemarijntje. Durf eens te verdwalen in een wereld zonder smartphones, apps, games of social media. Een wereld vol menselijke warmte, heerlijk buitenspelen en ouderwetse kattenkwaad. 

Vandaag bladerde ik weer even in mijn oude kinderboek, op zoek naar jeugdsentiment. Misschien was ik ook wel even op zoek naar mijn moeder. Alle ooit door haar felbegeerde deeltjes van Rozemarijntje heb ik ruim veertig jaar lang zorgvuldig bewaard. De boekjes zijn er nog, Rozemarijntje is er nog. Mijn moeder is er helaas niet meer, maar als ik door 'Rozemarijntje' blader, leest ze mij weer voor en voel ik weer even haar arm om mij heen.

Ik wilde zijn zoals Rozemarijntje. Vermoedelijk wilde mijn moeder dat vroeger zelf ook, maar ik denk dat ze vooral hoopte dat ik niet in een koeienvlaai zou vallen of in zeven sloten tegelijk zou lopen. Nu klim ik doorgaans niet op koeien, dus dat scheelt. Met die zeven sloten valt het ook best mee. Bij elke sloot die ik in mijn leven tegenkom, zeg ik nog steeds: "Ik kan best!" Net als Rozemarijntje, net als mijn moeder.

©Anneke van de Casteele



zondag 20 november 2016

DE HERFSTTAFEL - kort verhaal

BONK! Met een harde klap wordt een verdwaalde tak tegen mijn slaapkamerraam geslingerd, mij meedogenloos wekkend uit een veel te aangename droom. Ik slof naar het raam en werp een blik op het novembergeweld dat zich in alle hevigheid in mijn doorgaans nogal ‘dooie’ straat afspeelt. Duizenden bladeren voeren een strijd op leven en dood met de wind, die hen wreed de laan uit probeert te sturen. 

Bruin en goud gaan elkaar te lijf. En rood bemoeit zich er ook al mee. Ontelbare slachtoffers worden zonder pardon in grote plassen en modderpoelen gemikt, waar ze voorlopig nog wel een tijdje zullen bivakkeren. Ondanks hun luide protest worden de bomen in de straat ontdaan van hun takken, die machteloos moeten toezien hoe hun bewoners een kopje kleiner worden gemaakt.

Aan de overkant loopt met haastige tred een doorweekte man van middelbare leeftijd met gekromde rug, diep weggedoken in een reeds lang uit de mode geraakte grijze regenjas en een bijpassende sjaal. Met zijn linkerhand houdt hij krampachtig zijn hoed vast en in zijn rechterhand houdt hij een riem omklemd met daaraan een minstens zo doorweekte sloeber van een hond. Zo nu en dan maakt de man noodgedwongen een hink-stap-sprong in een vergeefse poging om afgevallen takken te ontwijken. De hond loopt er netjes omheen.

Morgen zal naar alle waarschijnlijkheid het slagveld ontruimd worden door gepensioneerde buurmannen die met hun ronkende bladblazers al menige ravage driftig te lijf zijn gegaan. Dan is er geen onderscheid meer tussen goud, bruin of rood en wordt alles op keurige hoopjes geblazen, waarna de echtgenotes van de bladblazende buurmannen de hopen slachtoffers met raspende harken en schurende bezems in de groencontainers deponeren. Zo is het altijd gegaan en zo zal het morgen ook weer gaan.

Ik onttrek mij aan het herfstgeweld buiten en kruip knus terug onder mijn veilige, warme dekbed. Beelden van vroeger die bij ‘knus’ en ‘veilig’ horen, verschijnen in mijn hoofd. 

Op de ene hoek van de straat waar mijn oma woonde, stond een enorme (en enorm oude) kastanjeboom. Op de andere hoek stond een dikke eik over wiens wortels je struikelde als je niet oplette. Elk jaar was het feest als beide bomen nietsvermoedende voorbijgangers bekogelden met stekelige bolsters, glimmende kastanjes en eikelmannetjes met hoedjes op. Het was de kunst om zoveel mogelijk mooie, diepbruin glanzende kastanjes en eikeltjes in mandjes te verzamelen. Ook werden mooie herfstbladeren bijeen gesprokkeld, het liefst gouden, maar mooi rood was ook niet lelijk.

Bij oma werd de oogst dan op kranten uitgestort en nauwkeurig beoordeeld, onder het genot van een beker warme chocolademelk (de échte, van oma, niet uit zo'n kartonnen pakje!) en speculaasbrokken. De mooiste exemplaren werden op een rijtje uitgestald, de rest verdween in oma’s gegalvaniseerde metalen vuilnisbak (veel duurzamer dan de kunststof kliko’s van tegenwoordig en je kon ook zo heerlijk erop trommelen). Met de crème de la crème van de oogst hadden wij grootse plannen.

Behalve chocolademelk kwam er ook een pot knutsellijm van de Hema op tafel, vergezeld van restjes wol en verf. Vader moest zijn luciferdoosjes (met inhoud) inleveren en dan kon het jaarlijks terugkerend herfstritueel beginnen.

Onder het deskundig wakend oog van zowel moeder als oma werden fabelachtige ‘herfstwezentjes’ geschapen: kleine mannetjes en beestjes die op oma’s herfsttafel een nieuw leven kregen in luxe met wol en kralen gedecoreerde huisjes van karton en met tuintjes vol felgekleurde herfstbladeren. Af en toe verloor een herfstwezentje een arm of been, maar we hadden luciferhoutjes in overvloed, dus er werd altijd snel eerste hulp verleend.

Je kon uren spelen met het herfstdorp bij oma. Als het tijd werd om de kerstboom binnen te halen, ruimde oma de herfsttafel pas op. Dan was er wéér warme chocolademelk, maar dan met kerstkransjes.

In mijn saaie straat staat geen weelderige kastanjeboom. Wel zijn er eikels in overvloed. Alleen hebben ze tegenwoordig allemaal een bladblazer.

© Anneke van de Casteele