Posts tonen met het label vrijheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vrijheid. Alle posts tonen

maandag 9 maart 2020

Euforie (of nie)

Een essay over 75 jaar vrijheid

Het vrijheidsgeluid gonst al geruime tijd oorverdovend rond in vrijwel alle media. Je kunt er niet omheen. Zwart-wit beelden van met vlaggetjes wapperende, juichende mensen langs passerende tanks, foto's van breed lachende soldaten, blije bakvissen en verlegen kindersnoetjes. Het zijn beelden die getuigen van euforie na vijf jaar ellende. Ellende die voor Joden, Roma, Sinti, zieken, gehandicapten en bejaarden later aanzienlijk groter bleek te zijn. Het is ellende waarvan al die blije Hollandse gezichten op het moment dat ze op film werden vastgelegd nog geen weet hadden. Media, censuur en propaganda: a deadly combination, fake news avant la lettre. 

Grote afwezige in de media is tot nu toe de Tweede Wereldoorlog 'aan de overkant', die voormalig Nederlands-Indië in zijn greep hield. Media focussen voornamelijk op de dekolonisatieoorlog, maar die kwam toch echt pas nadat de capitulatie van Japan een feit was, waarmee officieel een einde aan de Tweede Wereldoorlog kwam. Oorlog is oorlog, of niet? Kunnen we als nazaten van de voormalige kolonie wel 'vrijheid' vieren?

De overkant
Van euforie was aan 'de overkant' van het koninkrijk, in Nederlands-Indië, geen sprake. In Zuidoost-Azië ging men nog gebukt onder Hitlers bondgenoot Japan. De datum 5 mei 1945 was niet anders dan die van de drie voorgaande jaren. Terwijl het bevrijdingsfeest in Nederland losbarstte, zaten landgenoten in Nederlands-Indië nog steeds gevangen in concentratiekampen, verspreid over de Indische archipel en de rest van Azië. Onder erbarmelijke omstandigheden moest men proberen ziekte en mishandeling te overleven. Was je erin geslaagd buiten de kampen te blijven, dan was je je leven ook niet zeker. Nee, euforie was niet aan de orde.

Ook niet toen Japan capituleerde op 15 augustus 1945. Twee dagen later proclameerde Soekarno onder druk van jonge onafhankelijkheidsstrijders de republiek Indonesië. Euforie? Ehm, nee, wel Bersiap! Een ware volkswoede brak uit die zich met name richtte op Indo's, Molukkers, Chinezen en andere etnische groepen. De bersiap mondde uit in slachtpartijen op duizenden mannen, vrouwen en kinderen. Deze gruwelijke periode is bij het gros van de Nederlanders onbekend. Het onderwijs laat qua koloniale geschiedenis helaas veel te wensen over. Het is dan ook hoog tijd dat het curriculum wordt aangepast. We kunnen ons beter op eerlijker onderwijs concentreren, in plaats van met elkaars egootjes en plein public te bakkeleien over vier voorbije eeuwen waar we toch niets meer aan kunnen veranderen zonder teletijdmachine. 

In het verlengde van de Tweede Wereldoorlog
De daaropvolgende jaren werden voorgoed getekend door de slachtoffers van de dekolonisatieoorlog - aan beide zijden, waarbij Nederlands militair ingrijpen uiteindelijk de meeste slachtoffers op het geweten had in een vergeefse poging om het winstgevende paradepaardje van de Nederlandse kolonies te behouden. Nederland boog uiteindelijk in 1949 voor de internationale druk, maar bleef een vinger in de rijstepap van Nieuw-Guinea houden tot 1962. Ook ver na de Tweede Wereldoorlog bleven het roerige, angstige tijden, met name voor degenen die zo lang mogelijk op hun geliefde geboortegrond trachtten te blijven. Dat laatste wordt nogal eens vergeten.

Vrijheid is relatief
Wat vrijheid is voor de één, is dat niet altijd voor de ander. Kolonialisme is nooit goed te praten. NOOIT, met hoofdletters. Het systeem was door en door rot, racistisch en wreed. Elk weldenkend mens die zich in de geschiedenis van de archipel verdiept, ziet dat. Niemand ontkent dat ook. Dat wil echter niet zeggen dat elk mens dat in zo'n systeem geboren werd automatisch ook rot was. Het is wel heel erg gemakkelijk en kortzichtig om iedereen over dezelfde koloniale kam te scheren. Je kunt niet bepalen in welk land of gezin je geboren wordt. Je kunt niet je eigen etniciteit bepalen. Het is daarom volslagen idioot om een hele bevolkingsgroep weg te zetten als hoofdschuldige aan het systeem of als verrader. De hoofdschuldigen van het koloniale systeem zetelden toch echt in het verre Nederland en in de Nederlandse toplaag van het Nederlands-Indisch gouvernement. Wat je zelf nog enigszins kunt bepalen is hoe je je opstelt binnen het systeem waarin je bent geboren en getogen, of liever: wat voor mens je in essentie bent. Niet elke Europese wieg in Indië bevatte een meedogenloze slavendrijver, net zo min als dat elk Indonesisch gezin een moedige vrijheidsstrijder voortbracht of dat elk Japans kind standaard een kampbeul werd.

Dit jaar staat in het teken van 75 jaar vrijheid: 1945 markeert het einde van de bezetting van het koninkrijk. We vieren het einde van de Tweede Wereldoorlog, hoewel de media tot nu toe nauwelijks oog hebben voor de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. De nadruk ligt op de bezetting van Nederland door de Duitsers. We zijn het gewend. En als een verdwaalde krant of talkshow er onverhoopt aandacht aan besteedt, wordt er verontschuldigend en vanuit een politiek correcte mea culpa drang van alles bijgehaald dat afleidt van die Tweede Wereldoorlog: van VOC tot Tempo doeloe. Het past bij de beginnersfout van met name derde generatie Indo's (en een handjevol van de tweede) die op zoek gaan naar hun roots of zich er in verdiepen, zich dan een hoedje schrikken van de inktzwarte koloniale geschiedenis en die vervolgens een standpunt zoeken waarmee ze zich veilig aan de 'goede' kant van de geschiedenis willen profileren. Sommigen slaan daar volledig in door. Het kiezen van één kant betekent vaak dat alleen die kant goed is en de andere kant wordt aangevallen. Iedereen wil hetzelfde wiel tot vervelens toe opnieuw uitvinden. Het zet geen zoden aan de dijk. Er zitten altijd meerdere kanten aan een verhaal. Dat heet nuance.

'Niet elke Europese wieg in Indië bevatte een meedogenloze slavendrijver, net zo min als dat elk Indonesisch gezin een moedige vrijheidsstrijder voortbracht of dat elk Japans kind standaard een kampbeul werd.' 

Indisch
Wie zich beperkt tot één kant van de geschiedenis, heeft een eenzijdig beeld ervan en doet zichzelf tekort. Je gaat daarmee voorbij aan je eigen geschiedenis en die van de mensen die jou hebben voortgebracht, Europees én Indonesisch. Dat er Indo's zijn die zichzelf niet 'Indisch' willen noemen omdat die term 'koloniaal' zou zijn, is treurig. De oorsprong kan stammen uit een koloniaal verleden waarmee je niet geassocieerd wilt worden. Dat betekent echter niet dat door het mijden van de term 'Indisch' het koloniale deel van je geschiedenis er ineens niet meer is. Door eenzijdig naar de geschiedenis te kijken, zet je jezelf bij voorbaat buitenspel.

Je bent in de eerste plaats natuurlijk gewoon mens, aardbewoner. 'Indisch' is een toegevoegde waarde. Het betekent niet dat je het racistische koloniale systeem van toen niet afkeurt, integendeel. Het getuigt van zelfrespect. Respect voor je afkomst, voor de vechters die ervoor gezorgd hebben dat jij bestaat. 'Indisch' is juist iets om trots op te zijn. Het zegt in een notendop dat je afstamt van moedige vrouwen en mannen die de zwaarst denkbare tegenslagen hebben doorstaan. Het zijn onze (voor)ouders die zich staande moesten houden in een wereld van racisme en apartheid. Het zijn de mensen die Jappenkampen al dan niet hebben overleefd, die eigenlijk twee opeenvolgende oorlogen hebben doorstaan, om vervolgens hier in Nederland 75 jaar lang de underdog te zijn. Het zijn sterke mensen geweest, generatie op generatie. Als er dan toch zo nodig een labeltje op moet, dan draag ik het met trots en respect.

Oorlog, handelsgeest en media
Het eindeloos uitvinden van het wiel in de media leidt af van waar het dit jaar om gaat. En dat komt de Staat prima uit, want de zorgvuldig gevulde doofpotjes waar 'Indisch rechtsherstel' op staat, hoeven dan niet open. De Japanse bezetting wordt door nota bene Indo's zelf naar de achtergrond verdrongen als ze in de media eindelijk even een podium krijgen, terwijl Nederland juist een chronisch gebrek aan kennis hierover heeft (niet in de laatste plaats dankzij het onderwijs). Onwetende kijkers en lezers blijven achter met een totaal vertekend beeld. Die hele kolonialisme discussie is bijvoorbeeld in 2002 ook al uitgebreid gevoerd, toen 400 jaar VOC werd herdacht. Maar ook in 1995, toen 50 jaar vrijheid c.q. Indonesische onafhankelijkheid werd herdacht. En net als in 1860 toen Multatuli wakker werd. Het is prima om niet in slaap te dommelen en om een en ander nogmaals onder de loep te nemen, maar het gaat dit jaar voornamelijk over een ander onderwerp.

Speel de media niet in de kaart om de aandacht af te leiden van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en het daaruit voortvloeiende uitgebleven rechtsherstel van de Indische gemeenschap*. Het afleiden van het oorlogsleed van de Japanse bezetting is een vrijbrief voor de Staat om haar verantwoordelijkheid te blijven ontlopen - en niet te hoeven uitbetalen wat zij de Indische gemeenschap al 75 jaar schuldig is. Ook daarom is het woord 'Indisch' belangrijk. 

Hoe dan met Japan?
Focus op de Tweede Wereldoorlog, als je durft. Heb liever eindelijk eens het lef om in het kader van 75 jaar vrijheid écht over de oorlog in de Oost, die bij de rest van Nederland volslagen onbekend is, te praten. Bespreek de gruwelen van de Jappenkampen, benoem het Japanse systeem van dwangprostitutie eens of kaart het hardnekkig blijven ontkennen door Japan van haar oorlogsmisdaden aan. Laat lezers en kijkers voor eens en voor altijd weten hoe de oorlog dáár is geweest.  Zodat we de betekenis van 15 augustus niet tot in den treure hoeven uit te leggen.

Heb het er liever eens over hoe voor Nederland de handelsrelatie met Japan al 75 jaar prevaleert boven het oorlogsleed van de Indische gemeenschap, met als meest recent voorbeeld de schaamteloze verkoop van het Nederlandse Eneco aan Mitsubishi, het Japanse bedrijf dat ook Nederlandse krijgsgevangenen slavenarbeid liet verrichten. Excuses worden een voorzichtige, vrijblijvende suggestie voor de Japanse multinational in plaats van de verkoopvoorwaarde die het eigenlijk had moeten zijn. Compensatie is niet eens in beeld. Zonder de protesten uit Indische hoek was er niet eens een voorzichtige suggestie geweest.

Alles voor de handel. Als de Olympische Spelen straks in Tokio van start gaan, roepen we allemaal vrolijk dat sport verbroedert en vergeten we voor het gemak even hoeveel miljard dat evenement voor alle betrokken partijen oplevert (naast een imago boost voor het gastland). 

We sluiten dan ook meteen maar de ogen voor de controversiële Japanse 'Rijzende zon' vlag die straks ondanks alle kritiek gehesen gaat worden. Van 1870 tot 1954 was dit de officiële vlag van het keizerlijke Japanse leger. Tegenwoordig is het de favoriete vlag van ultrarechts Japan. De vlag staat symbool voor het oorlogsleed dat Japan miljoenen mensen heeft berokkend. Maar het gaat om de sport, hoor, vooral niet om geld of politiek.

Indonesië
Een handelsrelatie bestaat ook met Indonesië. Wie durft tijdens een staatsbezoek annex handelsmissie in Indonesië te informeren naar de verdwenen scheepswrakken van de Slag in de Javazee? Dat zijn officieel Nederlandse oorlogsgraven die een volgens internationaal recht beschermde status genieten. Maar ze zijn wél weg, illegaal geborgen en verkocht als oud schroot. De Indonesische autoriteiten verleenden bergingsvergunningen die ze officieel niet mochten geven. Handelspartner Indonesië gaat het niet leuk vinden als je haar daarover aan de tand voelt. En dat willen we niet. Vermijd dus ook vooral de woorden 'bersiap', 'RMS' en 'Papua', want dat schaadt ongetwijfeld de handelsrelatie (of het geïdealiseerde beeld van het land Indonesië dat sommigen verwarren met het regime, maar dit terzijde).

Blinde vlek
Zo zijn er verschillende kwesties die na de oorlog nooit naar behoren zijn opgelost. De grote blinde vlek in discussies is steeds de onaantastbare handelsgeest van Nederland, die nog steeds rondspookt om de kinderen en kleinkinderen van de voormalige kolonie tegen elkaar uit te spelen. En hoe 'woke' je ook pretendeert te zijn, zoals dat tegenwoordig zo trendy heet, je trapt er keihard in zodra je je eigen afkomst aan de wilgen hangt. Of je het leuk vindt of niet, we hebben allemaal ook Nederlandse of andere Europese voorouders. En de lachende derde die toekijkt hoe verdeeld de Indische gemeenschap is? Juist. 

'De onaantastbare handelsgeest van Nederland spookt nog steeds rond om de kinderen en kleinkinderen van de voormalige kolonie tegen elkaar uit te spelen.'

Ieder z'n feestje
Onze families kenden geen euforie van een bevrijdingsfeest, maar rolden van de ene ellende in een andere. En 15 augustus dan, de dag dat de Japanse bezetter capituleerde, is dat dan geen reden voor een Indisch bevrijdingsfeest? Nou, voor 'ons' is dat meer een dodenherdenking, geen feest. In Indonesië vieren ze hun onafhankelijkheid op 17 augustus. Terechte euforie. Ik gun ieder z'n feestje ook al is het niet het mijne, zowel Nederland als Indonesië. Maar ik hoef er niet zo nodig bij te zijn, dat is ook vrijheid. 

Nederland heeft 75 jaar lang de openstaande schuld aan de Indische gemeenschap genegeerd, waardoor er ook in 2020 niet écht vrijheid gevierd kan worden door Indisch Nederland. Geen excuses, geen rechtsherstel, geen compensatie voor oorlogsschade, enkel 75 jaar struisvogelpolitiek van opeenvolgende kabinetten, met het heilige winstoogmerk nog immer hoog in het vaandel. Want stel je voor dat de Staat daadwerkelijk alles waar die Indo's recht op hebben zou moeten terugbetalen... Poeh poeh, dat zou een aardige duit gaan kosten. Dat kunnen we niet hebben. Dan maar hier en daar in het kader van 'collectieve erkenning' een afkoopsommetje uitdelen, liefst met een irreële peildatum, dat is goedkoper. En verder elke kwestie doodzwijgen. Je komt er tenslotte minstens 75 jaar mee weg. Tel uit je winst.

Vrijheid
De nasleep van de Tweede Wereldoorlog is voor een groot deel van de Indische gemeenschap nog altijd pijnlijk voelbaar. Juist in 2020, waarin 5 mei het stralende middelpunt is en 15 augustus enkel betekenis heeft voor degenen met roots in het voormalig Nederlands-Indië. Zolang de Indische en Molukse kwestie niet wordt opgelost, rest velen dit jaar slechts het gedenken van 75 jaar voortdurende krijgsgevangenschap van ouders en grootouders. 'Vrijheid vieren' blijft dan voor ons 'herdenken'. 

©Anneke van de Casteele



*Indische gemeenschap omvat alle etniciteiten die in de voormalige kolonie aanwezig waren, dus niet alleen Indo's, maar ook Molukkers, Chinezen, Papoea's, Menadonezen, Toegoenezen en vele anderen.

Sigajang Laleng Lipa (ook wel Sitobo Lalang Lipa), Buginees ritueel gevecht uit Zuid-Sulawesi. Beide strijders worden in één sarong gehuld, waarbij een gevecht op leven en dood volgt. Het is het laatste redmiddel om een conflict op te lossen. De uitkomst is allesbepalend: één van beiden kan het overleven, of allebei. De kans bestaat ook dat beide strijders sterven. Na het duel wordt het conflict 'gearchiveerd' en behoort het voorgoed tot het verleden: men mag dus ook geen wrok koesteren. De sarong is een symbool van eenheid in de Bugis cultuur. De essentie in dit rituele gevecht is zelfrespect. Als men geen zelfrespect heeft, wordt men niet als mens beschouwd. Zelfrespect is belangrijker dan het leven zelf.

zondag 14 augustus 2016

HET MONUMENT VAN VIJFTIEN-ACHT - gedicht

Omdat herdenken een zaak van oprecht respect is en niet van het etaleren van politiek correcte sympathie. Omdat de oorlog niet ophield op 15 augustus 1945. 

© Anneke van de Casteele


maandag 25 april 2016

OMA’S PANNETJE – kort verhaal

Zwijgzaam hangt oma’s pannetje aan mijn maagdelijk witte keukenmuur. Één stille getuige van duizenden selamatans en familiediners. Oma’s pannetje heeft net als opa jaren trouwe dienst gedaan; opa in het KNIL en het pannetje in oma’s keuken, daarna in die van mijn moeder en later in de mijne. Het pannetje, een prachtig grijs geëmailleerd wadjannetje (je weet wel, zoals ze die niet meer maken tegenwoordig), heeft de meedogenloze tand des tijds wonderwel doorstaan. Wonderwel, want zelfs na ontelbare liters gloeiende sambal door de jaren heen, vertoont het pannetje nauwelijks slijtage. Mijn oma was er zuinig op.

Mijn oma sleepte haar pannetje overal mee naartoe. Nou ja, niet letterlijk overal natuurlijk, want als zij boodschappen ging doen of naar de kapper ging, liet ze het veilig thuis. Maar als er wat te vieren viel bij familie of als ze ‘gewoon’ even bij een kennis op bezoek ging, werd het pannetje zorgvuldig verpakt in keukenpapier en daarna in een plastic tas van V&D gewikkeld (ook al verdwenen, kasian). Samen met een heel arsenaal aan kruiden, potjes zelfgemaakte sambal en groente werd het pannetje dan in een grote boodschappentas naar de plek van bestemming vervoerd. ‘Je weet nooit toch? Altijd makkelijk. Je zult wel zien.’

En ‘zien’ deden we. Als oma haar derde kopje koffie op had en haar vijfde spritsje, glipte ze ongezien, gewapend met pannetje en boodschappentas, naar de keuken van de gastheer of –vrouw, om die vervolgens te verklaren tot ‘bezet gebied’. Het pannetje kon niet anders dan zich zonder enig verzet overgeven aan de kooklust van mijn oma, tot ieders groot plezier. ‘Laat haar maar even’ was dan het overbodige commentaar van mijn opa. Overbodig natuurlijk, want er kwam sowieso geen kip die keuken meer in (buiten die ene in oma’s boodschappentas). Wél eruit, maar daar had niemand problemen mee, zolang het maar op een schaal was, vergezeld van een parade van oma’s sauzen en sambals.

Het pannetje had een lange reis afgelegd. Samen met oma en opa was het min of meer onvrijwillig geëxporteerd naar Holland, meer dan een halve eeuw geleden. ‘Het verhaal van het pannetje’ vertelde mijn oma aan een ieder die het horen wilde. Hoe het pannetje er nog hing, toen zij terugkeerde na drieënhalf jaar gevangenschap in het Jappenkamp, hoe de plunderaars tijdens de bersiap wonder boven wonder het pannetje hadden gemist tijdens het leegroven van het huis in Batavia en hoe zij het pannetje onder in de houten kist had verstopt tijdens de bootreis naar Holland, in jurken en in een sprei gewikkeld. 

Steevast vertelde zij ook hoe graag zij die vervelende vent van het contractpension ermee op zijn kale knikker had willen slaan, maar het niet had gedaan omdat zij het pannetje beslist niet wilde beschadigen. Toen zij en opa eindelijk een eigen huurhuisje konden betrekken, ergens driehoog achter (maar gelukkig ver weg van ‘dat akelige pension’), was het pannetje het eerste stukje huisraad dat een ereplaatsje kreeg: aan de door oom Boy maagdelijk wit gekalkte muur van het keukentje, pal boven de keukentafel, zodat het meteen opviel als je binnenkwam.

Mijn moeder was ook altijd zuinig op het pannetje geweest. ‘Denk erom, voorzichtig, het is nog van oma!’ Mijn moeder had van oma én het pannetje koken geleerd. Ook zij kende ‘het verhaal van het pannetje’ en vertelde het in geuren en kleuren door aan een ieder die het horen wilde, toen oma het zelf niet meer kon. Ook aan een ieder die het niet horen wilde of die er volgens haar ‘Oost-Indisch doof’ voor was, maar ze vertelde het tóch. Met vallen en opstaan had het pannetje de kookkunsten van mijn moeder overleefd en uiteindelijk ook mijn moeder zelf.

Het pannetje dat drie generaties was meegereisd van tempo doeloe naar 2016 mag nu eindelijk eervol met welverdiend pensioen na al die jaren trouwe dienst. Oma is er al lang niet meer, het huisje driehoog achter ook niet en Indië ook niet meer. Maar bij mij heeft oma's pannetje een ereplaatsje gekregen, pal boven de keukentafel, zodat je het als eerste ziet als je binnenkomt. Ik gebruik het niet meer. Niet omdat het oud is of uit de mode, maar omdat ik het niet wil beschadigen. Daar aan dat veilige haakje aan de witte muur heeft het uiteindelijk de meeste kans dat het ook mij zal overleven. Net als dit verhaal.

©Anneke van de Casteele
Copyright - alle rechten voorbehouden. Overname is niet toegestaan.

donderdag 17 december 2015

DE VLUCHT - een kerstverhaal

“Hoofd naar beneden! Snel! Weg dan, wég!” Met een zenuwachtig, snel wuivend handgebaar maande Youssouf zijn vrouw om zich zo goed mogelijk te verbergen. Diep weggedoken in een grote donkergrijze omslagdoek kroop Maryam nog dieper weg, in de hoop op deze manier aan de aandacht van enkele argwanende passanten, maar vooral aan het gevaar in de verte te kunnen ontsnappen. Ze boog zich zo ver mogelijk voorover, dook weg achter Youssouf en probeerde zo hun waardevolste bezit dat zij aan haar hart gedrukt hield aan het oog van de barre buitenwereld te onttrekken.

Aan de gitzwarte hemel boven Maryam schitterden duizenden sterren, soms flakkerend als kleine kaarsvlammetjes in een tochtige kamer. De ijskoude wind sneed haar in het met een grauwe stoflaag bedekte gezicht en de honger geselde genadeloos haar maag. Ze kon zich niet eens meer herinneren wanneer ze voor het laatst gegeten had. Vier, vijf dagen geleden misschien? Het laatste brood dat ze bij zich hadden, had ze vanmorgen week gemaakt in het met water verdunde laatste restje melk. Dit had ze aan haar zoontje gegeven, in plaats van het zelf op te eten. Morgen zouden ze pas weer gelegenheid hebben om te rusten en hopelijk kon Youssouf dan ook wat eten voor hen regelen. Youssouf.. Wat is hij sterk, dacht Maryam. En aldoor bleef hij waakzaam en beschermde hij zijn gezin. Bij hem zijn we altijd veilig, als we maar samen blijven, komen we er wel, dacht Maryam.

De kleine Isa, amper een paar weken oud, sliep kalm en rustig; diep verzonken in de vredige slaap der onschuldigen, veilig in de armen van zijn moeder. Slechts een klein kuchje verraadde zijn aanwezigheid in de grote omslagdoek; een kuchje zonder geluid dat enkel voelbaar was voor zijn moeders hart. Isa had geluk gehad, ondanks dat de huidige situatie het tegendeel deed vermoeden. 

De eerste weken van Isa's prille leventje waren, op zijn zachtst gezegd, onrustig verlopen. Het noodlot sloeg toe, toen zijn ouders een oproep kregen om zich etnisch te laten registreren in de geboorteplaats van de vader, het hoofd van het gezin. De overheid had het een ‘volkstelling’ genoemd, maar het volk wist wel beter. Je kon er niet onderuit, want bij controle kon men opgepakt en zwaar gestraft worden als men geen ID kon laten zien, of erger.. Maryam durfde niet eens te denken aan wat er dan zou kunnen gebeuren.

Ze waren samen op pad gegaan, zoals zo velen. Isa was toen nog veilig genesteld geweest in de buik van zijn hoogzwangere moeder. Het was een lange voettocht geweest en Youssouf had zijn best gedaan om zijn vrouw zoveel mogelijk te ontlasten. Zo had hij onderweg een ezeltje kunnen huren. Het diertje was oersterk en had Maryam moedig en zonder morren de hele weg gedragen.

Het hele land was al tijden ontregeld door het rigoureuze beleid van de nieuwe regering, of liever gezegd: het nieuwe regime, want van een democratisch gekozen leiding was geen sprake. In de steden noch op de landwegen was het veilig: overal lagen rovers en rebellen op de loer. Maar wat moest, dat moest. Hoe eerder ze aan hun registratieplicht hadden voldaan, hoe sneller ze weer huiswaarts zouden kunnen keren. Er zat niet veel anders op dan flink door te stappen en te bidden voor een veilige terugkeer.

Eenmaal in de stad van bestemming aangekomen, bleken alle motels en herbergen bezet te zijn. De volkstelling had een enorm aantal reizigers teweeggebracht. Waar Youssouf en Maryam ook aanklopten, nergens was plaats. Tenzij ze een absurd hoog bedrag neer zouden tellen; dan bleek er nog toevallig wel een plekje vrij. Maar Youssouf was maar een eenvoudige timmerman en kon amper rondkomen van zijn schamele loon. Voor de hoogzwangere Maryam werd door de herbergiers ook geen uitzondering gemaakt en bij sommige pensions werden ze zelfs zonder pardon weggejaagd.

Uiteindelijk vond Youssouf een plekje in een eenzame hooischuur aan de rand van de stad, waar zijn vrouw diep in de nacht het leven schonk aan de kleine Isa. De enige kraamvisite die de kersverse ouders kregen, waren een paar nieuwsgierige schapen en runderen. Van welriekende, zoete Zwitsal-babyluchtjes was in die wel heel erg 'basic' kinderkamer dus weinig te merken, dankzij de bijzondere kraamvisite. Het kon Maryam en Youssouf weinig schelen: ze waren dolgelukkig met de geboorte van de kleine Isa, hun langverwachte zoon.

Toen het jonge gezin een paar dagen later, na de registratie, eindelijk aan de terugreis kon beginnen, braken er uitzonderlijk gewelddadige rellen uit in de streek waar ze woonden. Groepen extremisten voerden etnische zuiveringen uit en pleegden overal aanslagen waarbij vele onschuldigen om het leven kwamen. Er zat dus niets anders op voor Youssouf en zijn gezin dan te vluchten naar een andere streek of zelfs een ander land waar wel veiligheid was. Zo brak een angstige en vooral onzekere tijd aan, getekend door doodsangst, honger, dorst en blaren op de voeten. 

“Daar zijn ze weer, kijk uit!”

Youssouf wees zo onopvallend mogelijk op drie mannen in de verte, aan de overkant van de modderige landweg en ging vervolgens breeduit voor Maryam lopen.

“Mensensmokkelaars.. maak je zo klein mogelijk!”

Gelukkig konden ze allebei wegduiken achter een groepje mensen dat voor hen liep, waardoor ze niet meer opvielen. Zo ging het de hele nacht door. Zo ging het al dagen. Pas toen het lichtblauwe schijnsel van het ochtendgloren de eerste sterren aan de hemel verjoeg, gaf Youssouf het teken dat het veilig was om te rusten en namen ze plaats langs de kant van de weg.

Maryam keek om zich heen en overal waar ze keek, zag ze vluchtelingen, net als zij en Youssouf. Aan de stroom mensen voor en achter haar leek maar geen einde te komen. Mannen, vrouwen en kinderen, jonge gezinnen zoals het hare, maar ook bejaarden en mensen met krukken.

De omliggende landen hadden grensbewaking ingesteld om te voorkomen dat mensen daar veiligheid zouden zoeken. Vluchtelingen zijn immers nooit ergens welkom. Mensen die probeerden over de grens te komen, werden door soldaten en politieagenten in burger hardhandig tegengehouden. Hier en daar lagen gewonden langs de weg. Een oude vrouw hield huilend haar gewonde zoon in haar armen en smeekte om hulp. Kinderen schreeuwden in paniek en van de honger. De moed zakte Maryam in de schoenen.

Kleine Isa werd wakker en keek zijn moeder aan met grote ogen, verwonderd over de nieuwe dag en het prille zonlicht dat zijn moeders ogen deed schitteren als de grote saffieren uit de mijnen van Kasjmir. Zo klein als hij was; Isa wist in een oogwenk een glimlach om zijn moeders mond te toveren, ondanks alle ellende om hen heen. Zijn vader strekte even de benen en ging toen even rusten. Straks weer verder, op naar het volgende grensdorp. Het gerucht ging door de stroom mensen dat daar wél hulpvaardige burgers waren die voedsel en water uitdeelden. Nog even volhouden.

“Voor jou hou ik het vol, mijn kleine ventje, voor jullie, voor ons..” 

Het volgende dorp was een klein gehucht aan de grens, dat eigenlijk bestond uit één straat en een paar boerderijen. Toen Youssouf en zijn gezin daar aankwamen, was het een gedrang van jewelste bij de met hekken afgezette ingang van het dorp. Een groepje burgers deelde inderdaad voedsel uit en flesjes water. Een vrouw van middelbare leeftijd stond naast een grote jute zak waar ze speelgoed uit haalde om dit vervolgens uit te delen aan de kinderen. Maryam voelde zich blij en verdrietig tegelijk en ze kon haar tranen niet langer tegenhouden. De vrouw met het speelgoed zag het en wenkte naar Maryam: “Kom maar hierheen, kom maar.”

Langs de kant van de weg stonden enkele dorpelingen de drukte gade te slaan en luidruchtig met elkaar erover te praten. Maryam droogde haar tranen en gaf kleine Isa de fles, terwijl Youssouf in de rij ging staan om eten te halen. Eindelijk weer verse melk, dacht Maryam. Haar aandacht werd afgeleid door een van de luidruchtige dorpsbewoners, die overduidelijk stond te mopperen.

“Moet je nou toch kijken, dat krijgt alles maar gratis en voor niks.. En wij moeten ervoor opdraaien. Voor hetzelfde geld zijn het terroristen. Let maar op!”

De vrouw in kwestie wees op Maryam en Isa. Ze had blond haar en een rood gezicht.

“Ja, het is echt schandalig dit, niet normaal meer. Moeten wij voor al die schooiers opdraaien?” mopperde een nogal gezette, kale man met een dikke neus.

“Wedden dat ze straks nog eerder een huis krijgen dan ik? En ze vangen nog meer geld per maand ook”, mopperde de hoogblonde vrouw weer.

“En wij maar belasting betalen voor dat stelletje criminelen”, zei de man met de dikke neus.

De vrouw van het speelgoed en de melk keek boos naar het mopperende tweetal en riep: “Stel je niet zo aan Ingrid, je hebt pas een nieuwe caravan gekocht, dus zo slecht heb je het nou ook weer niet. En zeg Henk, sinds wanneer betaal jij eigenlijk belasting?”

Boze blikken waren het antwoord en het tweetal droop uiteindelijk mopperend en scheldend af. Kleine Isa had gelukkig niets gemerkt van het tumult en genoot zichtbaar van zijn flesje melk. De vrouw glimlachte vergoelijkend naar Maryam.

“Let maar niet op die twee, meid, ze hebben niks anders te doen. Vannacht blijven jullie gewoon hier. We regelen wel wat.. Het is tenslotte kerst!” 

Mijn kerstwens
Als je straks gezellig samen met je dierbaren aan het kerstdiner zit, denk dan ook eens aan de allereerste vluchtelingen van onze jaartelling. Het zijn ook de bekendste vluchtelingen tot op de dag van vandaag. Zij zijn de reden waarom men kerst viert. Denk voor de verandering eens aan Jozef, die met zijn vrouw Maria en het kindje Jezus vluchtte naar Egypte, zo’n 2015 jaar geleden. Op de vlucht naar Egypte: een barre tocht vol gevaren, dwars door de woestijn. Op de vlucht voor de terroristen van koning Herodes, die alle jongetjes van nul tot twee jaar oud liet vermoorden uit angst voor de voorspelling dat er een nieuwe koning geboren zou worden. Op dit moment vluchten duizenden vaders en moeders met gevaar voor eigen leven, om te proberen hun kinderen een veilige toekomst te geven. Ook tijdens onze feestdagen.

Of je nu wel of niet gelovig bent, maakt niets uit: de kersttraditie zoals wij die kennen in het Westen, vindt haar oorsprong in het Oosten, in een eeuwenoud verhaal dat draait om vluchtelingen, familie en barmhartigheid. Kerst gaat niet over de gezellige, dikke “ho ho ho” roepende Santa Claus in z’n bekende rode pak (ooit bedacht in 1931 door The Coca Cola company voor een reclamecampagne). Het gaat om liefde, dankbaarheid en vooral om veiligheid voor iedereen. Veiligheid voor terreurdreiging en voor het kwaad in deze wereld. Elk mens verdient een veilig plekje waar hij/zij zich thuis kan voelen en vooral: elk kind. Recht op een warm, menselijk welkom na de vlucht in plaats van spandoeken en demonstraties van mensen die zich niet in een ander mens kunnen verplaatsen en daarom geen flauw benul hebben van wat het is om te vluchten voor je leven en alles achter te moeten laten.

Ik wens iedereen een fijne en vooral veilige kerst toe en een beter 2016.

Liefde & licht xxx
Anneke


© Anneke van de Casteele
annekevdcasteele.blogspot.nl


donderdag 22 oktober 2015

KOM OP VOOR JE WERELD!

“Ik kom op voor mijn land, ik kom op voor Nederland, want dit land gaat naar de kl*ten.” Dat hoor je de laatste tijd te pas en te onpas roepen door mensen die zich ‘uitspreken’ tegen ‘de vluchteling’ of tegen hun gekleurde landgenoot. Mensen die zich zonder erbij na te denken achter wereldvreemde politici en wazige organisaties scharen.

En ik? Ik kom niet op voor mijn land. Nee, ik kom niet op voor Nederland. Ik kom niet op voor landsgrenzen die ooit ook maar zijn neergekalkt door een groepje holbewoners met een krijtje in de hand. “Zo dit is mijn land en jij mag niet op mijn land komen, begrepen?”

Ik kom op voor mijn wereld. Ik ben in de eerste plaats bewoner van de planeet aarde. Het gaat niet goed met de planeet aarde. Sinds ik hier op aarde ben gedropt, heb ik mijn wereld zien veranderen en ze wordt er niet veel mooier op (of dat mijn aanwezigheid is aan te rekenen, laat ik voor het gemak maar even in het midden..). De longen van de aarde zijn aangetast, de diversiteit aan levensvormen op aarde wordt bedreigd door allerlei ziektes, het water op deze planeet is vervuild geraakt en men staat elkaar naar het leven omdat men elkaar het zonlicht in de ogen niet gunt.

De veroorzaker van alle ellende is er maar één: de homo sapiens. Jawel, de holbewoner is terug. Mét zijn krijtje. En dat moet dan voor een ‘intelligente levensvorm’ doorgaan. Het is de grap van de eeuw. De mens is erin geslaagd om zichzelf en zijn natuurlijke habitat in pakweg een paar honderd jaar tijd onherstelbaar te beschadigen. Men vergeet daarbij dat wij niet zonder onze goeie ouwe moeder aarde kunnen, zolang we nog geen andere planeet hebben gevonden om te verpesten.

Wij ZIJN onze wereld. De mens bestaat voor 70% uit water en is afhankelijk van zuurstof. En liefde. En aan dat laatste is een chronisch gebrek bij de moderne holbewoner. Liefde heeft plaats moeten maken voor jaloezie en egoïsme, wat haat tot gevolg heeft. En racisme. Het zich superieur voelen ten opzichte van een ander mens.  

Ik kom op voor mijn wereld. Thé Lau schreef het al: iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen. Op dit moment is iedereen gewoon hartstikke ‘van de wereld’, als ik zo om me heen kijk. En van God los. Wat doet men zijn mede-zoogdier toch aan? Er is bij veel soortgenoten niet alleen een totaal gebrek aan empathisch vermogen, maar ook een moedwillig onvermogen om een en ander in een ander, ruimer perspectief te (willen) zien. Is het nu zó moeilijk om in die korte tijd dat we op deze mooie planeet mogen rondhuppelen, gewoon lief te zijn voor elkaar en elkaar te respecteren en te helpen? Wat een tijdverspilling.

© Anneke van de Casteele