Posts tonen met het label Tweede Wereldoorlog. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tweede Wereldoorlog. Alle posts tonen

zaterdag 15 augustus 2020

Bekladding Indisch monument is grafschennis

De bekladding van het Indisch monument in Den Haag, een dag voor de Nationale Herdenking 15 augustus 1945, is in alle opzichten misselijkmakend en laf. De daders hebben duidelijk geen kaas gegeten van de symboliek van dit monument, en nog minder van de eigen geschiedenis, laat staan van hoeveel het monument en de bijbehorende herdenking betekenen voor mensen met roots in de archipel. 

De actie heeft vooralsnog het tegenovergestelde effect bereikt. Het valt me op dat mensen juist nog meer gemotiveerd zijn om te herdenken, ondanks deze stunt van een paar eencelligen met een verfbus. Weliswaar wordt het dan herdenken in de eigen omgeving, want dat andere virus is er helaas ook nog. 

Zelf heb ik de laatste jaren steeds minder met de fysieke Indiëherdenking, maar dat wil niet zeggen dat ik niet herdenk. Integendeel. Mijn familie herdenk ik ook op andere momenten. Het is belangrijk om de slachtoffers van de Japanse bezetting te blijven herdenken. De geschiedenis van Nederlands-Indië wordt al te vaak weggepoetst. Zoals ik al in eerdere columns zei, heb ik 'de' Indiëherdenking steeds meer kleur zien verliezen. Ik mis de diversiteit van de Indische gemeenschap. Het is een voornamelijk witte aangelegenheid geworden, met kille toespraken van allerlei 'bobo's'. Dezelfde bobo's die verantwoordelijk zijn voor 75 jaar inadequaat beleid op het gebied van o.a. onderwijs, maar vooral qua nooit opgeloste kwesties zoals de backpay.

Ik weet echter dat de herdenking voor heel veel mensen uitermate belangrijk is en dat respecteer ik. Als ik hoor wat mensen hebben doorstaan tijdens (en na) de Japanse bezetting en ik tel daar het oorlogsleed van mijn eigen familie bij op, dan wordt het totaal respectloze van deze actie extra duidelijk. 


Troost

Mensen vinden troost bij elkaar, troost tijdens de plechtigheid van de herdenking. Het monument is hun plek. Toen na de oorlog de grote uittocht begon, moest men alles en iedereen achterlaten: ook de overledenen. Ontheemd zijn is geen lolletje.  Niet iedereen beschikt over voldoende financiële middelen of een goede gezondheid (getuige de vele rollators en rolstoelen bij de herdenkingen) om in Indonesië of Thailand even de oorlogsgraven van  familie te bezoeken. Dan is Den Haag een goed alternatief. Maar daar dachten de actievoerders niet aan.

Ze dachten evenmin aan de pijn die ze vaak toch al getraumatiseerde mensen hiermee hebben bezorgd. Logisch ook, want het slaafs vasthouden aan een op haat gebaseerde ideologie schakelt het empathisch vermogen uit. Het kan hen niets schelen.


Grafschennis

U leest het goed: grafschennis. Men heeft niet alleen de nagedachtenis van oorlogsslachtoffers geschonden, maar min of meer ook fysiek. Aan de achterzijde van het monument is ruimte voor het uitstrooien van as van overledenen. Dat maakt de actie grafschennis. 

Het is onvergeeflijk wat er is gebeurd. Het is misschien een schrale troost, maar veel mensen uit de Oost staan open voor spiritualiteit en geloven in karma. Dus dat komt vroeg of laat heus wel goed. Spiritualiteit en respect voor ouderen zijn overgeleverd via onze Indonesische/Molukse voorouders en voorgoed vastgeklonken in ons Indisch DNA. Daar kan geen verfbus tegenop.


©Anneke van de Casteele




woensdag 12 augustus 2020

Handen af van de Indië-herdenking!

 Het jaar 2020 zou een belangrijk jaar zijn voor Indisch Nederland. Het is 75 jaar geleden dat er een einde kwam aan de Japanse bezetting van voormalig Nederlands-Indië. Daarmee eindigde ook de Tweede Wereldoorlog voor het koninkrijk der Nederlanden. Helaas markeert 2020 ook het 75e jaar van de niet afgeloste schuld aan de Indische gemeenschap. Het betekent ook 75 jaar van stelselmatig geschoffeerd te worden door de overheid, met als pijnlijke klap op de vuurpijl de excuses van de koning aan Indonesië tijdens het staatsbezoek in maart. De Indische gemeenschap in Nederland daarentegen wacht al 75 jaar tevergeefs op excuses, als dank voor hun loyaliteit aan dit land, vlag en koningshuis. 

Het is ook het 75e 'jubileum' van het Indische vechten tegen de Hollandse bierkaai: de staat der Nederlanden heeft zich op alle mogelijke manieren (vooral  juridisch) ingedekt tegen claims van gedupeerden en nabestaanden. Google maar eens op ‘backpay’. En dat is slechts één voorbeeld in een beschamend grote collectie staatsblunders.

We kijken terug op maar liefst 75 jaar (over)gedragen oorlogsleed. Leed dat dankzij het 'gedegen' Nederlandse onderwijs niet of nauwelijks bekend is, laat staan dat iemand zonder Indische roots stilstaat bij 15 augustus. 


Uitgummen

Het uitgummen van Nederlands-Indië, haar geschiedenis en haar nazaten heeft een nieuw dieptepunt bereikt. Nu moet de Nationale Herdenking 15 augustus 1945 (de Indië-herdenking) eraan geloven. Volgens sommigen is de Indië-herdenking niet meer van deze tijd en nodig aan hervorming toe. Ook Indonesiërs moeten volgens hen worden herdacht. In de uitzending van Nieuwsuur op 11 augustus 2020 werden een paar ‘Indië-kenners’ opgevoerd. Van de heer Bot kan ik me dat predikaat nog voorstellen, maar de andere twee hebben duidelijk de klok horen luiden, zonder te weten waar de klepel hangt. Deze pseudo-kenners spreken in elk geval NIET namens mij en evenmin hebben zij überhaupt enige millimeter mandaat van de Indische en Molukse gemeenschap.

De Indië-herdenking gaat niet over kolonialisme. Hij gaat ook niet over het lot van de romoesja’s (hoe gruwelijk ook) en al helemaal niet over Indonesiërs. Daarvoor moet je bij Indonesië zijn. Soekarno ronselde honderdduizenden romoesja’s voor de Japanners. Ga dat maar eens in Jakarta aankaarten. En als je er dan toch bent, neem dan meteen even de mensenrechtenschendingen van Indonesië mee, de kolonisatie en onderdrukking van de Molukken, West Papoea en Atjeh. 


Wit

De Indië-herdenking op 15 augustus hoort 'van ons' te zijn. We herdenken overleden familieleden die onder de terreur van de Japanse bezetter zijn bezweken. We herdenken het leed dat onze families is aangedaan. Dat gum je niet zomaar uit. Voor dat Indisch monument is trouwens jaren geknokt. Pas in 1988 werd het gerealiseerd, 43 jaar na de oorlog. We hebben de Indië-herdenking de afgelopen jaren al steeds witter zien worden. Genoeg is genoeg. Vraagt men zich soms ook af of de 4 mei-herdenking niet meer van deze tijd is? Als je dan zo graag wilt hervormen, dan pas je 4 mei toch aan en herdenk je ook de NSB-ers en Duitsers? Kortom: je blijft met je handen af van de Indië-herdenking op 15 augustus. Hervormen? Inclusiever? Prima: maak de herdenking weer Indisch en geef ruimte aan Molukkers, Papoea's, Chinezen, Toegoenezen en aan alle andere etnische groepen uit Nederlands-Indië die voor hun koningin geleden hebben onder de Japanners en die jarenlang niet werden meegenomen in deze herdenking.

Als de koning straks een toespraak houdt bij het Indisch monument, dan hoop ik dat de kijkers thuis ook even denken aan koningin Wilhelmina. Op 8 december 1941 verklaarde zij de oorlog aan Japan en riep zij de onderdanen in Indië op om te vechten, in de wetenschap dat de krijgsmacht al jaren wegbezuinigd was, waardoor het bij voorbaat een verloren strijd zou zijn. 

Denk dan ook even aan de nasleep van de oorlog: aan alle ellende die onze ouders en familie hebben ondergaan, bijvoorbeeld de wanstaltig slechte opvang in Nederland. Om van de opvang van hun Molukse lotgenoten in o.a. ex-concentratiekampen Westerbork en Vught nog maar niet te spreken.

Ach, na 15 augustus gaat iedereen weer over tot de orde van de dag, tot men twee dagen later wat onwetende Indo jeugd met een volmondig 'merdeka' de merah putih ziet posten op instagram. Welkom 75 jaar bersiap. 


Boksbal

Hoe vaak en hoe hard moet de Indische gemeenschap nog vernederd en geslagen worden door de Nederlandse overheid? Was op 8 maart jl. niet symbolisch de oorlog verklaard aan de staat? Gaan we nu op 15 augustus de volgende vernedering slikken bij het Indisch monument dat elk jaar minder Indisch wordt, totdat de herdenking verdwijnt en opgaat in 4 en 5 mei? Gaan we door totdat men ons volledig heeft uitgegumd? 

Natuurlijk doen we dat. We slikken de vernedering wel weer weg met tjendol en spekkoek. En daarna gaan we naar de pasar malam. Terwijl we eigenlijk op 15 augustus bij dat Indisch monument massaal als een muur om de laatst levenden van onze 1e en 2e generatie zouden moeten gaan staan om hen te beschermen tegen de zoveelste vernedering, tegen de onoprechte toespraken van politici die ons voor het 75e achtereenvolgende jaar hebben ontrecht en genegeerd. Eigenlijk zou, hypothetisch gezien, hén moeten worden verboden om op 15 augustus bij 'ons' Indisch monument in de buurt te komen. Maar dat doen wij niet, want we hebben immers een beleefd, onderdanig imago. En we hebben ons zó netjes aangepast! 

Wim Kan zei ooit over de beruchte Birmaspoorweg: "Er leven haast geen mensen meer die het kunnen navertellen." Nog even en er leeft niemand meer die zich de Indische gemeenschap nog kan herinneren. En dat hebben we zelf toegelaten.


©Anneke van de Casteele



maandag 4 mei 2020

Bevrijding

Als je maandenlang dagelijks overspoeld wordt door bevrijdingsspotjes, bevrijdingsjournaals en al dan niet gepimpte nationale saamhorigheidsliederen op tv en radio, terwijl er in je hart een andere oorlog woedt die stelselmatig door de media wordt genegeerd, dan gaat mijn bevrijdingsfakkel vanzelf uit. En dan schrijf je er een gedicht over.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog was niet op 5 mei 1945, hoe vaak de media het ook als een mantra blijven herhalen. Aan de andere kant van het koninkrijk was het nog ruim drie maanden volop oorlog. En daarna ontketende Nederland er een volgende. Mijn gedoofde fakkel verkeert op 5 mei in het goede gezelschap van mijn uitgeschakelde tv. Ieder z'n feestje. 

©Anneke van de Casteele



maandag 9 maart 2020

Euforie (of nie)

Een essay over 75 jaar vrijheid

Het vrijheidsgeluid gonst al geruime tijd oorverdovend rond in vrijwel alle media. Je kunt er niet omheen. Zwart-wit beelden van met vlaggetjes wapperende, juichende mensen langs passerende tanks, foto's van breed lachende soldaten, blije bakvissen en verlegen kindersnoetjes. Het zijn beelden die getuigen van euforie na vijf jaar ellende. Ellende die voor Joden, Roma, Sinti, zieken, gehandicapten en bejaarden later aanzienlijk groter bleek te zijn. Het is ellende waarvan al die blije Hollandse gezichten op het moment dat ze op film werden vastgelegd nog geen weet hadden. Media, censuur en propaganda: a deadly combination, fake news avant la lettre. 

Grote afwezige in de media is tot nu toe de Tweede Wereldoorlog 'aan de overkant', die voormalig Nederlands-Indië in zijn greep hield. Media focussen voornamelijk op de dekolonisatieoorlog, maar die kwam toch echt pas nadat de capitulatie van Japan een feit was, waarmee officieel een einde aan de Tweede Wereldoorlog kwam. Oorlog is oorlog, of niet? Kunnen we als nazaten van de voormalige kolonie wel 'vrijheid' vieren?

De overkant
Van euforie was aan 'de overkant' van het koninkrijk, in Nederlands-Indië, geen sprake. In Zuidoost-Azië ging men nog gebukt onder Hitlers bondgenoot Japan. De datum 5 mei 1945 was niet anders dan die van de drie voorgaande jaren. Terwijl het bevrijdingsfeest in Nederland losbarstte, zaten landgenoten in Nederlands-Indië nog steeds gevangen in concentratiekampen, verspreid over de Indische archipel en de rest van Azië. Onder erbarmelijke omstandigheden moest men proberen ziekte en mishandeling te overleven. Was je erin geslaagd buiten de kampen te blijven, dan was je je leven ook niet zeker. Nee, euforie was niet aan de orde.

Ook niet toen Japan capituleerde op 15 augustus 1945. Twee dagen later proclameerde Soekarno onder druk van jonge onafhankelijkheidsstrijders de republiek Indonesië. Euforie? Ehm, nee, wel Bersiap! Een ware volkswoede brak uit die zich met name richtte op Indo's, Molukkers, Chinezen en andere etnische groepen. De bersiap mondde uit in slachtpartijen op duizenden mannen, vrouwen en kinderen. Deze gruwelijke periode is bij het gros van de Nederlanders onbekend. Het onderwijs laat qua koloniale geschiedenis helaas veel te wensen over. Het is dan ook hoog tijd dat het curriculum wordt aangepast. We kunnen ons beter op eerlijker onderwijs concentreren, in plaats van met elkaars egootjes en plein public te bakkeleien over vier voorbije eeuwen waar we toch niets meer aan kunnen veranderen zonder teletijdmachine. 

In het verlengde van de Tweede Wereldoorlog
De daaropvolgende jaren werden voorgoed getekend door de slachtoffers van de dekolonisatieoorlog - aan beide zijden, waarbij Nederlands militair ingrijpen uiteindelijk de meeste slachtoffers op het geweten had in een vergeefse poging om het winstgevende paradepaardje van de Nederlandse kolonies te behouden. Nederland boog uiteindelijk in 1949 voor de internationale druk, maar bleef een vinger in de rijstepap van Nieuw-Guinea houden tot 1962. Ook ver na de Tweede Wereldoorlog bleven het roerige, angstige tijden, met name voor degenen die zo lang mogelijk op hun geliefde geboortegrond trachtten te blijven. Dat laatste wordt nogal eens vergeten.

Vrijheid is relatief
Wat vrijheid is voor de één, is dat niet altijd voor de ander. Kolonialisme is nooit goed te praten. NOOIT, met hoofdletters. Het systeem was door en door rot, racistisch en wreed. Elk weldenkend mens die zich in de geschiedenis van de archipel verdiept, ziet dat. Niemand ontkent dat ook. Dat wil echter niet zeggen dat elk mens dat in zo'n systeem geboren werd automatisch ook rot was. Het is wel heel erg gemakkelijk en kortzichtig om iedereen over dezelfde koloniale kam te scheren. Je kunt niet bepalen in welk land of gezin je geboren wordt. Je kunt niet je eigen etniciteit bepalen. Het is daarom volslagen idioot om een hele bevolkingsgroep weg te zetten als hoofdschuldige aan het systeem of als verrader. De hoofdschuldigen van het koloniale systeem zetelden toch echt in het verre Nederland en in de Nederlandse toplaag van het Nederlands-Indisch gouvernement. Wat je zelf nog enigszins kunt bepalen is hoe je je opstelt binnen het systeem waarin je bent geboren en getogen, of liever: wat voor mens je in essentie bent. Niet elke Europese wieg in Indië bevatte een meedogenloze slavendrijver, net zo min als dat elk Indonesisch gezin een moedige vrijheidsstrijder voortbracht of dat elk Japans kind standaard een kampbeul werd.

Dit jaar staat in het teken van 75 jaar vrijheid: 1945 markeert het einde van de bezetting van het koninkrijk. We vieren het einde van de Tweede Wereldoorlog, hoewel de media tot nu toe nauwelijks oog hebben voor de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. De nadruk ligt op de bezetting van Nederland door de Duitsers. We zijn het gewend. En als een verdwaalde krant of talkshow er onverhoopt aandacht aan besteedt, wordt er verontschuldigend en vanuit een politiek correcte mea culpa drang van alles bijgehaald dat afleidt van die Tweede Wereldoorlog: van VOC tot Tempo doeloe. Het past bij de beginnersfout van met name derde generatie Indo's (en een handjevol van de tweede) die op zoek gaan naar hun roots of zich er in verdiepen, zich dan een hoedje schrikken van de inktzwarte koloniale geschiedenis en die vervolgens een standpunt zoeken waarmee ze zich veilig aan de 'goede' kant van de geschiedenis willen profileren. Sommigen slaan daar volledig in door. Het kiezen van één kant betekent vaak dat alleen die kant goed is en de andere kant wordt aangevallen. Iedereen wil hetzelfde wiel tot vervelens toe opnieuw uitvinden. Het zet geen zoden aan de dijk. Er zitten altijd meerdere kanten aan een verhaal. Dat heet nuance.

'Niet elke Europese wieg in Indië bevatte een meedogenloze slavendrijver, net zo min als dat elk Indonesisch gezin een moedige vrijheidsstrijder voortbracht of dat elk Japans kind standaard een kampbeul werd.' 

Indisch
Wie zich beperkt tot één kant van de geschiedenis, heeft een eenzijdig beeld ervan en doet zichzelf tekort. Je gaat daarmee voorbij aan je eigen geschiedenis en die van de mensen die jou hebben voortgebracht, Europees én Indonesisch. Dat er Indo's zijn die zichzelf niet 'Indisch' willen noemen omdat die term 'koloniaal' zou zijn, is treurig. De oorsprong kan stammen uit een koloniaal verleden waarmee je niet geassocieerd wilt worden. Dat betekent echter niet dat door het mijden van de term 'Indisch' het koloniale deel van je geschiedenis er ineens niet meer is. Door eenzijdig naar de geschiedenis te kijken, zet je jezelf bij voorbaat buitenspel.

Je bent in de eerste plaats natuurlijk gewoon mens, aardbewoner. 'Indisch' is een toegevoegde waarde. Het betekent niet dat je het racistische koloniale systeem van toen niet afkeurt, integendeel. Het getuigt van zelfrespect. Respect voor je afkomst, voor de vechters die ervoor gezorgd hebben dat jij bestaat. 'Indisch' is juist iets om trots op te zijn. Het zegt in een notendop dat je afstamt van moedige vrouwen en mannen die de zwaarst denkbare tegenslagen hebben doorstaan. Het zijn onze (voor)ouders die zich staande moesten houden in een wereld van racisme en apartheid. Het zijn de mensen die Jappenkampen al dan niet hebben overleefd, die eigenlijk twee opeenvolgende oorlogen hebben doorstaan, om vervolgens hier in Nederland 75 jaar lang de underdog te zijn. Het zijn sterke mensen geweest, generatie op generatie. Als er dan toch zo nodig een labeltje op moet, dan draag ik het met trots en respect.

Oorlog, handelsgeest en media
Het eindeloos uitvinden van het wiel in de media leidt af van waar het dit jaar om gaat. En dat komt de Staat prima uit, want de zorgvuldig gevulde doofpotjes waar 'Indisch rechtsherstel' op staat, hoeven dan niet open. De Japanse bezetting wordt door nota bene Indo's zelf naar de achtergrond verdrongen als ze in de media eindelijk even een podium krijgen, terwijl Nederland juist een chronisch gebrek aan kennis hierover heeft (niet in de laatste plaats dankzij het onderwijs). Onwetende kijkers en lezers blijven achter met een totaal vertekend beeld. Die hele kolonialisme discussie is bijvoorbeeld in 2002 ook al uitgebreid gevoerd, toen 400 jaar VOC werd herdacht. Maar ook in 1995, toen 50 jaar vrijheid c.q. Indonesische onafhankelijkheid werd herdacht. En net als in 1860 toen Multatuli wakker werd. Het is prima om niet in slaap te dommelen en om een en ander nogmaals onder de loep te nemen, maar het gaat dit jaar voornamelijk over een ander onderwerp.

Speel de media niet in de kaart om de aandacht af te leiden van de Tweede Wereldoorlog in Nederlands-Indië en het daaruit voortvloeiende uitgebleven rechtsherstel van de Indische gemeenschap*. Het afleiden van het oorlogsleed van de Japanse bezetting is een vrijbrief voor de Staat om haar verantwoordelijkheid te blijven ontlopen - en niet te hoeven uitbetalen wat zij de Indische gemeenschap al 75 jaar schuldig is. Ook daarom is het woord 'Indisch' belangrijk. 

Hoe dan met Japan?
Focus op de Tweede Wereldoorlog, als je durft. Heb liever eindelijk eens het lef om in het kader van 75 jaar vrijheid écht over de oorlog in de Oost, die bij de rest van Nederland volslagen onbekend is, te praten. Bespreek de gruwelen van de Jappenkampen, benoem het Japanse systeem van dwangprostitutie eens of kaart het hardnekkig blijven ontkennen door Japan van haar oorlogsmisdaden aan. Laat lezers en kijkers voor eens en voor altijd weten hoe de oorlog dáár is geweest.  Zodat we de betekenis van 15 augustus niet tot in den treure hoeven uit te leggen.

Heb het er liever eens over hoe voor Nederland de handelsrelatie met Japan al 75 jaar prevaleert boven het oorlogsleed van de Indische gemeenschap, met als meest recent voorbeeld de schaamteloze verkoop van het Nederlandse Eneco aan Mitsubishi, het Japanse bedrijf dat ook Nederlandse krijgsgevangenen slavenarbeid liet verrichten. Excuses worden een voorzichtige, vrijblijvende suggestie voor de Japanse multinational in plaats van de verkoopvoorwaarde die het eigenlijk had moeten zijn. Compensatie is niet eens in beeld. Zonder de protesten uit Indische hoek was er niet eens een voorzichtige suggestie geweest.

Alles voor de handel. Als de Olympische Spelen straks in Tokio van start gaan, roepen we allemaal vrolijk dat sport verbroedert en vergeten we voor het gemak even hoeveel miljard dat evenement voor alle betrokken partijen oplevert (naast een imago boost voor het gastland). 

We sluiten dan ook meteen maar de ogen voor de controversiële Japanse 'Rijzende zon' vlag die straks ondanks alle kritiek gehesen gaat worden. Van 1870 tot 1954 was dit de officiële vlag van het keizerlijke Japanse leger. Tegenwoordig is het de favoriete vlag van ultrarechts Japan. De vlag staat symbool voor het oorlogsleed dat Japan miljoenen mensen heeft berokkend. Maar het gaat om de sport, hoor, vooral niet om geld of politiek.

Indonesië
Een handelsrelatie bestaat ook met Indonesië. Wie durft tijdens een staatsbezoek annex handelsmissie in Indonesië te informeren naar de verdwenen scheepswrakken van de Slag in de Javazee? Dat zijn officieel Nederlandse oorlogsgraven die een volgens internationaal recht beschermde status genieten. Maar ze zijn wél weg, illegaal geborgen en verkocht als oud schroot. De Indonesische autoriteiten verleenden bergingsvergunningen die ze officieel niet mochten geven. Handelspartner Indonesië gaat het niet leuk vinden als je haar daarover aan de tand voelt. En dat willen we niet. Vermijd dus ook vooral de woorden 'bersiap', 'RMS' en 'Papua', want dat schaadt ongetwijfeld de handelsrelatie (of het geïdealiseerde beeld van het land Indonesië dat sommigen verwarren met het regime, maar dit terzijde).

Blinde vlek
Zo zijn er verschillende kwesties die na de oorlog nooit naar behoren zijn opgelost. De grote blinde vlek in discussies is steeds de onaantastbare handelsgeest van Nederland, die nog steeds rondspookt om de kinderen en kleinkinderen van de voormalige kolonie tegen elkaar uit te spelen. En hoe 'woke' je ook pretendeert te zijn, zoals dat tegenwoordig zo trendy heet, je trapt er keihard in zodra je je eigen afkomst aan de wilgen hangt. Of je het leuk vindt of niet, we hebben allemaal ook Nederlandse of andere Europese voorouders. En de lachende derde die toekijkt hoe verdeeld de Indische gemeenschap is? Juist. 

'De onaantastbare handelsgeest van Nederland spookt nog steeds rond om de kinderen en kleinkinderen van de voormalige kolonie tegen elkaar uit te spelen.'

Ieder z'n feestje
Onze families kenden geen euforie van een bevrijdingsfeest, maar rolden van de ene ellende in een andere. En 15 augustus dan, de dag dat de Japanse bezetter capituleerde, is dat dan geen reden voor een Indisch bevrijdingsfeest? Nou, voor 'ons' is dat meer een dodenherdenking, geen feest. In Indonesië vieren ze hun onafhankelijkheid op 17 augustus. Terechte euforie. Ik gun ieder z'n feestje ook al is het niet het mijne, zowel Nederland als Indonesië. Maar ik hoef er niet zo nodig bij te zijn, dat is ook vrijheid. 

Nederland heeft 75 jaar lang de openstaande schuld aan de Indische gemeenschap genegeerd, waardoor er ook in 2020 niet écht vrijheid gevierd kan worden door Indisch Nederland. Geen excuses, geen rechtsherstel, geen compensatie voor oorlogsschade, enkel 75 jaar struisvogelpolitiek van opeenvolgende kabinetten, met het heilige winstoogmerk nog immer hoog in het vaandel. Want stel je voor dat de Staat daadwerkelijk alles waar die Indo's recht op hebben zou moeten terugbetalen... Poeh poeh, dat zou een aardige duit gaan kosten. Dat kunnen we niet hebben. Dan maar hier en daar in het kader van 'collectieve erkenning' een afkoopsommetje uitdelen, liefst met een irreële peildatum, dat is goedkoper. En verder elke kwestie doodzwijgen. Je komt er tenslotte minstens 75 jaar mee weg. Tel uit je winst.

Vrijheid
De nasleep van de Tweede Wereldoorlog is voor een groot deel van de Indische gemeenschap nog altijd pijnlijk voelbaar. Juist in 2020, waarin 5 mei het stralende middelpunt is en 15 augustus enkel betekenis heeft voor degenen met roots in het voormalig Nederlands-Indië. Zolang de Indische en Molukse kwestie niet wordt opgelost, rest velen dit jaar slechts het gedenken van 75 jaar voortdurende krijgsgevangenschap van ouders en grootouders. 'Vrijheid vieren' blijft dan voor ons 'herdenken'. 

©Anneke van de Casteele



*Indische gemeenschap omvat alle etniciteiten die in de voormalige kolonie aanwezig waren, dus niet alleen Indo's, maar ook Molukkers, Chinezen, Papoea's, Menadonezen, Toegoenezen en vele anderen.

Sigajang Laleng Lipa (ook wel Sitobo Lalang Lipa), Buginees ritueel gevecht uit Zuid-Sulawesi. Beide strijders worden in één sarong gehuld, waarbij een gevecht op leven en dood volgt. Het is het laatste redmiddel om een conflict op te lossen. De uitkomst is allesbepalend: één van beiden kan het overleven, of allebei. De kans bestaat ook dat beide strijders sterven. Na het duel wordt het conflict 'gearchiveerd' en behoort het voorgoed tot het verleden: men mag dus ook geen wrok koesteren. De sarong is een symbool van eenheid in de Bugis cultuur. De essentie in dit rituele gevecht is zelfrespect. Als men geen zelfrespect heeft, wordt men niet als mens beschouwd. Zelfrespect is belangrijker dan het leven zelf.

zondag 11 augustus 2019

Een Indische schaduw

Herinneren
Als augustus aanbreekt, dienen zich automatisch allerlei herinneringen aan. Eigenlijk doen ze dat altijd wel, maar in augustus is het altijd erg druk in mijn hoofd. Het is natuurlijk ook een maand vol herdenkingen, tenminste, als je iets met Indië hebt. De hoofdrolspelers in de herinneringen die deze maand bij mij oproept zijn veelal familieleden, mensen die ik gekend heb en die indruk op mij hebben gemaakt. Zo dwaalden vandaag mijn gedachten af naar een man die ik nog altijd mis. In één seconde was ik terug in Den Haag, een jaar of twintig geleden.

Het was druk bij de tramhalte. Mijn oom bracht mij na vrijwel elk bezoek, zoals het een echte Indische gentleman betaamt, netjes naar Den Haag Centraal. 
'Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn.'
Ik had geen bezwaar tegen mijn struise bodyguard. Ondanks zijn hoge leeftijd en zijn wat moeizame tred was mijn vaders oudste broer nog altijd een verschijning die met zijn rijzige gestalte vanzelf respect afdwong. Hij was voor de duvel niet bang en al helemaal niet voor luidruchtige trampassagiers of opgeschoten gespuis. 

De paar met graffiti bekladde bankjes in het wachthokje waren al bezet toen we ons bij de wachtenden voegden. Een jonge man vouwde zijn krant op en bood mijn oom beleefd zijn zitplaats aan. 'Wilt u zitten, meneer?'
Een paar oude Indische ogen die in al die jaren al meer hadden gezien dan menigeen lief zou zijn, keken de man resoluut aan. 
'Nee dank u, meneer. Ik heb al drie jaar gezeten. In Japan.'
Hetzelfde ritueel herhaalde zich nadien in de tram meestal nog een keer of twee. Mijn oom bleef staan. Ook in de tram. Hij hield zich dan extra stevig vast en staarde strak naar buiten. Naar wat zich werkelijk zoal voor zijn ogen voltrok, kon ik toen slechts gissen. 

Zo ging het altijd. En altijd weer liet hij de goedbedoelende reizigers verbouwereerd achter. Zij begrepen de oude Indischman niet en dachten vast dat hij maar wat kletste. Als Indisch kind begreep ik uiteraard dat hij doelde op de oorlog. Maar het zou nog jaren duren voordat het écht bij mij binnenkwam. Ik heb het geweten.

Het 'Indisch zwijgen' was ook mijn oom niet geheel vreemd. Pas op hoge leeftijd liet hij zich soms het een en ander ontvallen over zijn oorlogstijd in Japanse krijgsgevangenschap. Dat gebeurde vaak op de meest onverwachte momenten, meestal als hij even rustig op een bankje zat in Kijkduin of tijdens het oppeuzelen van zijn Indische maaltijd. Dan scheen hij plots een flashback te krijgen die hem zodanig leek te kwellen dat die er per se uit moest. Pas dan had hij de spoken uit het verleden bedwongen en kon hij weer zijn oude vrolijke zelf zijn. 

Zo floepte er tijdens een etentje waarbij het gesprek over Hollandse koetjes en kalfjes ging, er ineens uit dat hij 'daar' was toen 'de bom' viel. Flarden van gruwelijke herinneringen aan de meest wrede uitvinding in de geschiedenis van de mens overspoelden de eettafel, om vervolgens weer voor onbepaalde tijd weg te ebben, plaats makend voor lemper en stilzwijgen.

Mijn oom was een bijzonder mens. Hij was een hibakusha, het Japanse woord voor slachtoffer of overlevende van de Amerikaanse atoombommen. De schaduw van Hiroshima heeft hem noch mij echter nooit meer verlaten. Ook al is hij mij reeds jaren geleden ontvallen, zijn no-nonsense spirit, humor en veerkracht leven voort.

Vele jaren later had ik het voorrecht om nog zo'n bijzonder mens te leren kennen. Ik werd gevraagd om een gedicht uit het Engels te vertalen ter gelegenheid van een herdenking voor de slachtoffers van de atoombom op Nagasaki. De schrijver van het gedicht, Rudi Hoenson (96) is eveneens een hibakusha. Hij overleefde de atoombom van Nagasaki, waar hij drie jaar als krijgsgevangene dwangarbeid moest verrichten op de scheepswerven van Mitsubishi. Het kamp waar hij geïnterneerd was, Fukuoka 14, bevond zich midden in het rampgebied. Wat daar gebeurd is op 9 augustus 1945, drie dagen nadat de eerste atoombom, 'Little Boy' Hiroshima verwoestte, is onmenselijk gruwelijk. Dat er buiten de Japanse slachtoffers ook geallieerde krijgsgevangenen slachtoffer werden van de twee atoombommen, wordt helaas maar al te vaak vergeten. De tweede atoombom, 'Fat Man', tekende Nagasaki én Rudi voor het leven, zoals Hiroshima dat van mijn oom heeft getekend. Wij kunnen ons de verschrikkingen die zij hebben doorstaan niet of nauwelijks voorstellen, al doen we nog zo ons best.

Herdenken
Indische ogen vertellen wat de mond niet zeggen kan. Veel oorlogsslachtoffers krijgen op latere leeftijd opnieuw te maken met hun oorlogstrauma's. Nachtmerries, angsten en depressies eisen alsnog meedogenloos hun tol - met rente. Verwerking van trauma's is voor ieder mens anders, elk mens is immers een individu. Mijn oom verwerkte zijn trauma's in stilte, tot hij niet langer kon zwijgen. Vrijwel niemand wist van zijn doorstane pijn en ellende. Voor Rudi betekende het schrijven van een gedicht verwerking en tevens vestigt hij er de aandacht mee op de geallieerde slachtoffers van Nagasaki. Door over zijn ervaringen te vertellen geeft hij zijn verhaal en dat van zijn mede-krijgsgevangenen door aan de volgende generaties.

Ik ben er van overtuigd dat herdenken vaak rust kan geven en op een positieve manier kan bijdragen tot verwerking van oorlogstrauma's. Herdenken is daarnaast onmisbaar voor de historische overdracht, met name als het gaat om de kennis van ons Indisch verleden. Want daarmee is het bedroevend slecht gesteld. Daar durf ik gerust een weddenschap tegenaan te gooien. 

In mijn directe omgeving heb ik het afgelopen jaar iedereen enigszins gepolst over de bij hen aanwezige kennis van het Indische deel van onze geschiedenis. Of liever, de afwezigheid ervan. Een kop thee en een goed gesprek zijn daarbij een goede combinatie gebleken. Er is echt geen riant gesubsidieerd onderzoek voor nodig om te peilen waar de schoen wringt. Zo was 'Hiroshima' wel bekend, maar de aanleiding voor de atoombom niet en 'Nagasaki' riep al helemaal geen herkenning op. Wat mij nog het meest opviel was dat niemand (!) wist wat er op 15 augustus herdacht wordt. Zeer pijnlijk. 'Nederlands-Indië een voormalige kolonie? Nooit geweten.' 

Dat onderwijs de grote boosdoener is behoeft geen verdere uitleg. De mensen met wie ik heb gesproken brachten dat zelf ook steeds naar voren. De media zouden overigens ook best een opfriscursus kunnen gebruiken, sowieso als het om herdenken gaat. Jaarlijks zien we bijvoorbeeld wel Hiroshima voorbijkomen, maar voor Nagasaki is nauwelijks tot geen aandacht,. Ook dit jaar bleef het stil in de Nederlandse media. Nagasaki wordt meestal in één adem genoemd met Hiroshima and that's it (enkele uitzonderingen uit het verleden daargelaten). Over de geallieerde slachtoffers van beide atoombommen wordt eveneens gezwegen. Ik vind dat buitengewoon onacceptabel. 

Schaduwen
Zoals Nagasaki in de donkere schaduw van Hiroshima wordt geduwd, verdwijnt 15 augustus achter de coulissen van 5 mei. Op 15 augustus gaat het leven in Nederland gewoon door, terwijl wij allen wel dienen stil te staan bij (4 en) 5 mei. Dat laatste is natuurlijk niet het issue hier, integendeel. Het gaat mij er juist om dat 15 augustus voor heel Nederland een speciale herdenkingsdag wordt, niet enkel voor degenen die 'iets met Indië hebben'. En dat mag ook best na bijna 75 jaar. Al was het alleen maar uit respect voor wat de slachtoffers van de Japanse bezetting hebben moeten doorstaan. 

Gelukkig zijn er heel veel lokale herdenkingen in het land, maar het herdenken beperkt zich grotendeels tot direct betrokkenen. En ja, er is een TV-uitzending, maar de media-aandacht is nog steeds Klein Duimpje vergeleken bij de reuzen van 4 en 5 mei. Gooi die BV Nederland nu eens gewoon dicht op 15 augustus, voor mijn part ook eens in de vijf jaar, net als bij 5 mei. Begin er maar in 2020 mee, als het 75 jaar geleden is dat er 'officieel een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden'. Wordt het niet eens tijd dat het Indisch verleden uit de schaduw van dit Koninkrijk treedt? 

Als je de herdenking presenteert als 'Nationale herdenking 15 augustus 1945', zorg er dan ook potdorie voor dat het een echte nationale herdenking wordt, voor elke Nederlander, ongeacht afkomst. Anders staat het woord 'nationale' daar gewoon maar wat te staan en wordt de melati gewoon zomaar een leuk bloempje.

©Anneke van de Casteele



dinsdag 14 augustus 2018

zondag 14 januari 2018

Het laatste Indische avondmaal

Je moet er toch niet aan denken dat je je geliefde bordje nasi goreng moet missen? En dat je voortaan met een bord aardappelen met andijvie op schoot op de bank naar De Wereld Draait Door zou moeten kijken? Welk een gruwel! Hou op, schei uit. Nee, we mogen ons dan wel 'geruisloos hebben aangepast' in Nederland, maar onze nasi blijft onaantastbaar Indisch erfgoed en dat houden we in ere. Maar zappen naar een TV-programma waarin we wél iets terugvinden van dat erfgoed kunnen we altijd. Tenminste, dat zou leuk zijn.

Diversiteit
Er zijn best weinig Indo's of Molukkers op TV. Papua's, Chinezen of mensen met een andere etnische achtergrond uit de Oost ook niet. Hoe kan dat nou, met de circa 1,7 miljoen Nederlanders wiens roots in het voormalig Nederlands-Indië liggen? Ze zijn er wel, maar we zien ze niet vaak aan tafel bij populaire praatprogramma's. Als dit wel het geval zou zijn, zou televisie-minnend Nederland dan misschien iets meer kennis hebben van onze gezamenlijke koloniale geschiedenis? Misschien zou de kijker zich eerder afvragen waarom hij er vroeger nooit veel op school over heeft gehoord. Of zelfs, in het gunstigste geval, zou men wat meer begrip krijgen voor landgenoten met een andere etnische achtergrond. Het blijft koffiedik kijken. Feit blijft dat er weinig diversiteit te zien is op onze kijkkast, zowel qua presentatoren en gasten als qua topics.

Blinde vlek
Het collectief geheugen van Nederland worstelt met chronische selectiviteit. We willen graag politiek correct zijn, maar we bekennen liever geen kleur. We reizen de hele wereld af naar verre exotische oorden voor een leuk TV-programma, maar we laten de Indische en Molukse geschiedenis in ons eigen land links liggen. We horen of zien zelden mensen uit Indische of Molukse hoek die in veelbekeken prime time-programma's actualiteiten aankaarten. De nog immer etterende wond die in 'onze kringen' bekend is als de backpaykwestie is daar een voorbeeld van. En nu toute Hollande het over 'Me Too' heeft, kunnen we het dan eindelijk eens hebben over de massale uitbuiting van vrouwen door de Japanse bezetter in Nederlands-Indië, de 'troostmeisjes'? Het zijn slechts twee van de vele onopgeloste kwesties die nog steeds actueel zijn, maar die nauwelijks tot geen media-aandacht krijgen. We zijn wel geïnteresseerd in de Paradise Papers, maar wordt het niet eens tijd voor de 'Gordel van Smaragd Papers'? 

De media hebben een blinde vlek als het gaat om het eigen koloniale verleden. Ja, OK, de Gouden Eeuw ligt ver achter ons en is misschien niet zo hip of trendy. Prima. Maar dat Nederland anno 2018 nog steeds weigert om haar eigen staatsburgers of diens erfgenamen de achterstallige soldij uit te betalen over de periode van 3,5 jaar in Japanse krijgsgevangenschap, is een actueel onderwerp dat zowel de nationale als internationale pers had moeten oppikken. Blinde vlekken zijn  blijkbaar hardnekkig.

Er leven haast geen mensen meer
De eerste generatie is al vrijwel weggevaagd door de tand des tijds. Van de 82.000 oorspronkelijke rechthebbenden op de backpay bijvoorbeeld, rest ons nog circa 600 man. En let's face it: de tweede generatie begint ook al aardig uit te dunnen. Nog even en er is niemand meer die nog weet hoe de vork in de steel zat. Wim Kan zei het al over de Birmaspoorweg: 'Er leven haast geen mensen meer die het kunnen navertellen.' Ook daarom is media-aandacht van groot belang.

Onderzoeksjournalist Griselda Molemans gaf onlangs een lezing over de 'Indische repatriëring: feit of propaganda'. Dat aanpassen van de ontheemde gezinnen uit de voormalige kolonie verliep allesbehalve geruisloos. Aan de Indische gemeenschap is door de Staat grof geld verdiend door de jaren heen. En het onrecht duurt nog steeds voort, getuige de laatste actualiteiten. Maar wederom geen aandacht van de prime time praatprogramma's of actualiteitenrubrieken. Dat zappen naar meer diversiteit is nog niet zo gemakkelijk als het lijkt.

Da Vinci
Schrijver Dan Brown verhaalde in zijn bestseller 'The Da Vinci code' ook over blinde vlekken. Men schijnt wel te kunnen 'kijken' naar iets, zonder vaak daadwerkelijk te 'zien' wat er is. Het heeft te maken met ons referentiekader, onze kennis van de wereld om ons heen of met datgene wat ons met de paplepel over die wereld is ingegoten. Brown laat dat zien aan de hand van Leonardo Da Vinci's beroemde muurschildering 'Het Laatste Avondmaal' (1495-1498) in het Santa Maria delle Grazie, een dominicaner klooster in Milaan. 

We kunnen het verhaal in Brown's boek naar het schimmige rijk der fabelen verwijzen of niet, dat is een keuze. Het blijft echter curieus dat hele volksstammen eeuwenlang de vrouwelijk ogende 'apostel' (voor de kijkers links) aan tafel bij onze lieve Heer niet hebben gezien als mogelijk Maria Magdalena, Jezus' vermoedelijke echtgenote. Ook hier geldt: er leven geen mensen meer, die het kunnen navertellen. Wat we wel zouden kunnen doen, is met de moderne technieken die ons ter beschikking staan onderzoeken of er in de loop der eeuwen niet toevallig een '13e apostel' is weggemoffeld van de muurschildering, zodat het plaatje weer klopt. Weggemoffeld, net als het laatste Indische avondmaal van 5,7 miljard euro.

©Anneke van de Casteele



zaterdag 5 augustus 2017

AUGUSTUS IS DOOD, LANG LEVE SEPTEMBER

Het is augustus. It's that time of year again. Je ontkomt er niet aan: eens per jaar komt die maand voorbij. Lekker weer, terrasjes, vakantie en oorlog. Augustus is een maand van contrasten en zomergasten. Ik kan niet wachten tot september.

Verheven keizers
De maand augustus dankt zijn naam aan een Romeinse keizer. Slimme zet van meneer Augustus, want hoewel bijna geen kip meer weet wat zijn roemruchte daden waren, wordt de hele aardbol elk jaar 31 dagen lang met zijn naam geconfronteerd. De naam 'Augustus' betekent 'de verhevene'. Daar hebben wel meer keizers last van, van die hoogmoedswaanzin. Bij 'augustus' denk ik echter eerder aan zijn Aziatische collega, de keizer van Japan, dan aan een Romein.

Ik vind augustus geen leuke maand. Wat mij betreft mag juli gewoon 62 dagen hebben. De eerste dag van de gevreesde maand is al meteen raak: op 1 augustus 1944 schrijft Anne Frank voor het laatst in haar dagboek. Een paar dagen later, op 4 augustus, wordt ze opgepakt en keert nooit meer terug. Haar dagboek overleeft haar. Aan de andere kant van de wereld moet mijn vader - en honderdduizenden met hem - dagelijks buigen voor de Japanse keizer Hirohito, de bondgenoot van Hitler. 

Het begin van het einde
Op 6 augustus gooien de Amerikanen de eerste atoombom op Hiroshima, Japan, waarmee het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië begint. Een atoombom met de dubieuze bijnaam Little Boy. Het is het meest afschuwelijke wapen dat de mens ooit heeft uitgevonden. Moderne breinen kunnen zich er nauwelijks iets bij voorstellen. Een paddenstoel van rook, hoog in de lucht. Een zwart-wit beeld in een stoffig Polygoon-journaal. Dan heb je het wel gehad. Mijn oom, dienstplichtig KNIL-militair, was op dat moment krijgsgevangene in Hiroshima. Hij heeft het overleefd. Erover praten kon hij pas vlak voor zijn dood.

Een paar dagen later dropt president Truman een tweede atoombom, ditmaal op Nagasaki: de Fat Man. 'Nagasaki' is bij herdenkingen vaak een vergeten woord. De aandacht gaat voornamelijk naar Hiroshima. In Nagasaki bevonden zich echter ook geallieerde krijgsgevangenen, die dwangarbeid moesten verrichten in de mijnen en op de scheepswerven van Mitsubishi, hetzelfde bedrijf dat nu de meeste van onze moderne Hollandse windmolens fabriceert. 

Als de atoombommen niet waren ingezet.. Ik weet het. Maar hopelijk vindt u het niet erg als ik bij de gedachte aan de honderdduizenden doden geen jubelstemming krijg. Nucleaire straling werkt overigens nog jarenlang door bij degenen die de bommen overleefden. Jubelig word ik evenmin bij het idee dat wereldleiders met hoogmoedswaanzin vandaag de dag beschikken over kernwapens en elkaar er zonder enige gêne mee uitdagen. Je vraagt je af waar hun hersens zitten.

Bevrijdingsdag
Japan capituleert op 15 augustus 1945. Daarmee komt, volgens de officiële lezing, "officieel een einde aan de Tweede Wereldoorlog voor het Koninkrijk der Nederlanden." Het klinkt mooi, maar de werkelijkheid zit iets anders in elkaar. De oorlog in Nederlands-Indië hield helemaal niet op. Geen Bevrijdingsdag voor honderdduizenden Indische Nederlanders in of buiten de kampen, maar de aanvang van een lange periode van geweld en doodsangst.

Twee dagen later leest Soekarno de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië voor, op 17 augustus 1945. Voor de Indo's in de Gordel van Smaragd betekent dit een vogelvrijverklaring. Ze belanden van de ene oorlog in de andere: eerst de bersiap en vervolgens een bloedige onafankelijkheidsoorlog die tot 1949 zou duren. Nederland erkende namelijk de onafhankelijkheid niet en zette in op militair ingrijpen, met het eufemisme van de eeuw: de "politionele" acties. Intussen weten we dat het een sale guerre was, een vuile oorlog, niets meer en niets minder. De vuile oorlog die uiteindelijk uitmondde in de diaspora van de Indo, beiden afwezig in de geschiedenisboekjes.

Herdenken
We herdenken het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Koninkrijk. Ik herdenk de slachtoffers die niet worden herdacht omdat ze niet 'hip' genoeg zijn of geen politiek correct herdenkingsmateriaal. Ik gedenk de Molukse KNIL-militairen. Ik gedenk het leed dat mijn dierbaren hebben ondergaan en met hen honderdduizenden anderen. Ik gedenk het feit dat Nederland haar staatsburgers van gemengden bloede al 72 jaar in de kou laat staan en weigert haar verantwoordelijkheid te nemen voor het uitbetalen van 3,5 jaar achterstallige salarissen en soldij aan de nabestaanden van hen die in het Jappenkamp moesten buigen voor de Japanse keizer tot ze eraan bezweken.

Ik herdenk wanneer ik wil en hoe ik wil. Dat houdt in dat ik geen datum nodig heb en al helemaal geen toneelvoorstelling op TV, waarbij de bobo's van de Indische gemeenschap diep buigen om hun dik gesubsidieerde kransjes te leggen bij een monument, terwijl ze achter de schermen de belangen van de mensen die zij beweren te vertegenwoordigen schaamteloos hebben verkocht aan de Staat der Nederlanden. Buigen voor de Jap hoeft niet meer, dan maar buigen voor de Belanda?

Mijn oom zei: "Ik buig voor niemand. Nooit meer." Dat herdenk ik. Augustus is dood, lang leve september.

©Anneke van de Casteele



zondag 14 augustus 2016

HET MONUMENT VAN VIJFTIEN-ACHT - gedicht

Omdat herdenken een zaak van oprecht respect is en niet van het etaleren van politiek correcte sympathie. Omdat de oorlog niet ophield op 15 augustus 1945. 

© Anneke van de Casteele


dinsdag 31 mei 2016

PASAR MALAM TEMPO DOELOE - kort verhaal

Pasar malam, tempo doeloe
Herinneringen aan de prehistorie

Als kind liep ik aan het handje mee met papa en mama, struinend en snoepend van een pisang goreng, langs de vele Indische kraampjes op de pasar malam. Deze snotneus keek haar bruine oogjes uit en verwonderde zich over oude en nieuwe dingen, zoals ik vandaag de dag nog steeds doe, althans wat betreft dat verwonderen.  

Van mijn vader moest ik als ‘écht Indisch kind’ alerlei nieuwe smaakjes en lekkernijen proeven en zo trok hij mij ooit gedecideerd aan de arm mee naar een kraam, waar een vreselijke stinklucht vanaf kwam en waar allerlei tropisch fruit lag uitgestald, in vormen en kleuren die ik bij de groenteboer op de hoek nooit gezien had. “Zo heerlijk zoet, je móet dit proeven!” Demonstratief nam hij een stukje fruit van een schoteltje dat op een berg enorme prikkeldingen lag te balanceren en met een luid “mmmm!” verdween het stukje in zijn mond. Als papa het durfde, dan kon ik dat ook best. Maar toen ik oog in oog stond met de stinkende prikkeldingen, heb ik de ziel onder de arm en de benen genomen, mijn vader vol leedvermaak grinnikend achterlatend. Ik moest het nog lang horen. Maar het was het waard geweest, want als troost voor deze traumatische ervaring  mocht ik mee naar de spekkoekkraam en daar wordt ieder Indisch kind vrolijk van.

Mijn ouders sleepten mij verplicht mee naar wajangvoorstellingen, exposities en het muziekpodium, snuffelden (destijds veel te lang naar mijn zin) tussen de Indische boeken en mijn moeder controleerde regelmatig het restant van het zorgvuldig bijeen gespaarde pasarbudget. Ik leerde er hoe afdingen in zijn werk ging bij Indo’s onderling en wat het verschil was tussen wajang golek en wajang koelit. 

De muzikale omlijsting van de pasar is iets waar ik altijd naar uitkeek. De bekende artiesten die zorgden voor zinderende shows natuurlijk in de eerste plaats, maar ik vond de felgekleurde lampen het mooist (en het feit dat de muziek veel harder stond dan thuis ooit toegestaan was!). Ik heb er van genoten. Een keer op de Pasar Gambir in Dordrecht zou de groep Massada optreden. Ze hadden toen een hit met het nummer ‘Sajang É’, wat mij nog steeds tot tranen kan roeren. Niet alleen vanwege de melancholie van het lied, maar ook omdat ik op tijd naar bed moest en Massada trad pas ’s avonds op. Mijn moeder was onverbiddelijk. Dikke tranen heb ik gehuild bij de poster van zanger Johnny Manuhutu, op wie ik destijds grenzeloos en hopeloos verliefd was (en stiekem nog steeds een beetje, zoals zo veel Indische en niet-Indische meisjes). Met betraande oogjes stond ik toen langdurig te kijken naar een leeg podium zonder Massada, waar als decor een enorm doek met een prachtig geschilderd Indisch landschap vol wuivende palmen en bergen mijn nieuwsgierigheid wist te wekken (tussen het snikken door). 

Naast traumatische ervaringen (zoals de lucht van de doerian die na ruim 40 jaar nog steeds rondspookt in mijn reukorgaan en het missen van het optreden van Massada) was er gelukkig wel krontjong. Krontjong asli, dat is waar ik mee opgegroeid ben. Zowel mijn vader en opa als mijn ooms beschikten over een grote platencollectie met prachtige krontjong, waaronder de platen van ‘Lief Java’ van Guus Becker en Leo Spel. Jaren later had ik de eer om krontjongzanger Guus Becker te ontmoeten en met hem over deze unieke muziek te mogen spreken. Hij vertelde mij veel over de ontstaansgeschiedenis van deze muziek. (zie ook mijn blogartikel voor 'De Kritische Katjang'). 

Door de jaren heen veranderde er veel in de samenstelling van ons gezin, onze familie en vriendenkring. De Indische dinosauriërs verdwenen, maar zijn nooit helemaal weggevaagd en de herinneringen zijn gebleven, helder als de dag van gisteren.  Met vrienden deden wij weleens een ‘vergelijkend warenonderzoek’ en we bezochten verschillende pasars in het land; grote, kleine, saaie en gezellige. Zo kwamen we een keer ergens in Brabant op een open lucht pasar terecht; klein, maar met een sfeer die je nog maar zelden tegenkomt. Nu is sfeer een heel persoonlijk iets, maar het aantal lachende mensen om je heen is meestal wel een aardige sfeermeter. 

Er waren natuurlijk allerlei kraampjes, snuisterijen en lekkere hapjes te vinden en er was muziek. Voor het podium dansten de mensen op muziek van Indo-celebrity Dries Holten (bekend als de helft van o.a. de duo’s Sandra & Andres en Rosy & Andres). Andres, die zijn Indische afkomst nooit onder stoelen of banken heeft gestoken en altijd zijn Indisch-zijn heeft gevierd in zijn muziek, kreeg ook deze keer weer jong en oud aan het swingen met zijn Indische liedjes. 

De spekkoekkraam op een pasar is een instituut op zich en oogst dan ook altijd veel bewondering, op welke pasar je ook bent. In Den Haag wilde mijn oom er, toen al dik in de zeventig, altijd het eerst naartoe. Op de lange tafels stonden tientallen kleine rieten mandjes uitgestald, gevuld met kleine stukjes spekkoek in de vele diverse smaken; banaan, chocolade, rum, cocos, pandan en meer van die fijne smaakjes die je alleen al bij het lezen van deze zin doen watertanden.. Mijn oom begon altijd helemaal links bij schaaltje nummer 1 en ging dan zo het hele rijtje af, om dan vervolgens weer terug te lopen naar het eerste schaaltje en het ritueel te herhalen. De verkopers kenden hem gelukkig al (want mijn oom had natuurlijk een passe-partout). “Welke wil je kopen, oom?” probeerden wij dan tevergeefs. “Nee, ik hoef niet, ik hou niet van spekkoek” was dan steevast het antwoord.

Mijn oom genoot van de krontjong, vooral van de krontjong asli en altijd weer kwam dan zijn zakdoek tevoorschijn om zijn neus in te snuiten en zodoende zo onopvallend mogelijk een traantje weg te pinken, in de ijdele hoop dat wij het niet gezien hadden. 

Slenterend van de ene tent naar de andere mopperde hij traditiegetrouw en zonder gêne over de ‘kauwgomballententen’ (zoals hij de niet-Indische kraampjes noemde). Pas veel later ben ik dat gaan begrijpen. Mijn oom had Jappenkamp, Birmaspoorweg, Hiroshima en Bersiap overleefd en hij had zijn geliefde Indië moeten verlaten; van mij mocht hij mopperen. 

Op een keer hoorden wij achter ons heel hard mijn ooms naam roepen. Verschrikt keek mijn oom om (en wij ook). “Ja, jij daar! Hoe is het? Ken je mij niet meer?” Mijn oom keek een andere bejaarde Indo onderzoekend in de ogen en vroeg argwanend: “En wie wil dat weten?” Daarna noemde de man een adres in Tegal, en mijn oom en hij bleken buurjongens te zijn geweest! Zelfs na zowat veertig jaar wist de ‘oude’ buurjongen (letterlijk en figuurlijk, want hij woonde immers ook in Den Haag, net als mijn oom) nog wie ‘die schavuit van nextdoor’ was. Een prachtige ontmoeting die mij altijd is bijgebleven en waar ik mij nog steeds heerlijk over kan verwonderen. 

Ontmoetingen, daar ging en gaat het om op een pasar. Ook na het wegvallen van de dinosauriërs ging ik erheen. Inderdaad, ‘ging’, want de laatste jaren moet ik er een heel eind voor reizen en zo zonder dinosauriërs naast mij word ik er al gauw wat treurig van. Bovendien houd ik niet zo van (kouwe) drukte. Hoewel het uitwaaien in Scheveningen na afloop ook wel weer iets had. Of het thuis goreng-en van je meegebrachte hapjes en het oprapen van de melatibloempjes die altijd in groten getale onderin de tas lagen in plaats van dat ze aan het meegebrachte plantje zaten. Maar de herinneringen houden me ook nu nog warm en door ze op te schrijven, houd ik hen levend. Niet alleen de eetkraampjes, de spekkoek, de muziek en de snuisterijen maakten de sfeer op de pasars, maar juist die ‘dino’s’ (anagram voor ‘indo's’.. zie je dat?) deden dat voor mij. Nu ben ik zelf zo langzamerhand een ‘indosauriër’ geworden, een uitstervend ras. Maar deze is nog alive and kicking, net als mijn herinneringen!

© Anneke van de Casteele


maandag 25 april 2016

OMA’S PANNETJE – kort verhaal

Zwijgzaam hangt oma’s pannetje aan mijn maagdelijk witte keukenmuur. Één stille getuige van duizenden selamatans en familiediners. Oma’s pannetje heeft net als opa jaren trouwe dienst gedaan; opa in het KNIL en het pannetje in oma’s keuken, daarna in die van mijn moeder en later in de mijne. Het pannetje, een prachtig grijs geëmailleerd wadjannetje (je weet wel, zoals ze die niet meer maken tegenwoordig), heeft de meedogenloze tand des tijds wonderwel doorstaan. Wonderwel, want zelfs na ontelbare liters gloeiende sambal door de jaren heen, vertoont het pannetje nauwelijks slijtage. Mijn oma was er zuinig op.

Mijn oma sleepte haar pannetje overal mee naartoe. Nou ja, niet letterlijk overal natuurlijk, want als zij boodschappen ging doen of naar de kapper ging, liet ze het veilig thuis. Maar als er wat te vieren viel bij familie of als ze ‘gewoon’ even bij een kennis op bezoek ging, werd het pannetje zorgvuldig verpakt in keukenpapier en daarna in een plastic tas van V&D gewikkeld (ook al verdwenen, kasian). Samen met een heel arsenaal aan kruiden, potjes zelfgemaakte sambal en groente werd het pannetje dan in een grote boodschappentas naar de plek van bestemming vervoerd. ‘Je weet nooit toch? Altijd makkelijk. Je zult wel zien.’

En ‘zien’ deden we. Als oma haar derde kopje koffie op had en haar vijfde spritsje, glipte ze ongezien, gewapend met pannetje en boodschappentas, naar de keuken van de gastheer of –vrouw, om die vervolgens te verklaren tot ‘bezet gebied’. Het pannetje kon niet anders dan zich zonder enig verzet overgeven aan de kooklust van mijn oma, tot ieders groot plezier. ‘Laat haar maar even’ was dan het overbodige commentaar van mijn opa. Overbodig natuurlijk, want er kwam sowieso geen kip die keuken meer in (buiten die ene in oma’s boodschappentas). Wél eruit, maar daar had niemand problemen mee, zolang het maar op een schaal was, vergezeld van een parade van oma’s sauzen en sambals.

Het pannetje had een lange reis afgelegd. Samen met oma en opa was het min of meer onvrijwillig geëxporteerd naar Holland, meer dan een halve eeuw geleden. ‘Het verhaal van het pannetje’ vertelde mijn oma aan een ieder die het horen wilde. Hoe het pannetje er nog hing, toen zij terugkeerde na drieënhalf jaar gevangenschap in het Jappenkamp, hoe de plunderaars tijdens de bersiap wonder boven wonder het pannetje hadden gemist tijdens het leegroven van het huis in Batavia en hoe zij het pannetje onder in de houten kist had verstopt tijdens de bootreis naar Holland, in jurken en in een sprei gewikkeld. 

Steevast vertelde zij ook hoe graag zij die vervelende vent van het contractpension ermee op zijn kale knikker had willen slaan, maar het niet had gedaan omdat zij het pannetje beslist niet wilde beschadigen. Toen zij en opa eindelijk een eigen huurhuisje konden betrekken, ergens driehoog achter (maar gelukkig ver weg van ‘dat akelige pension’), was het pannetje het eerste stukje huisraad dat een ereplaatsje kreeg: aan de door oom Boy maagdelijk wit gekalkte muur van het keukentje, pal boven de keukentafel, zodat het meteen opviel als je binnenkwam.

Mijn moeder was ook altijd zuinig op het pannetje geweest. ‘Denk erom, voorzichtig, het is nog van oma!’ Mijn moeder had van oma én het pannetje koken geleerd. Ook zij kende ‘het verhaal van het pannetje’ en vertelde het in geuren en kleuren door aan een ieder die het horen wilde, toen oma het zelf niet meer kon. Ook aan een ieder die het niet horen wilde of die er volgens haar ‘Oost-Indisch doof’ voor was, maar ze vertelde het tóch. Met vallen en opstaan had het pannetje de kookkunsten van mijn moeder overleefd en uiteindelijk ook mijn moeder zelf.

Het pannetje dat drie generaties was meegereisd van tempo doeloe naar 2016 mag nu eindelijk eervol met welverdiend pensioen na al die jaren trouwe dienst. Oma is er al lang niet meer, het huisje driehoog achter ook niet en Indië ook niet meer. Maar bij mij heeft oma's pannetje een ereplaatsje gekregen, pal boven de keukentafel, zodat je het als eerste ziet als je binnenkomt. Ik gebruik het niet meer. Niet omdat het oud is of uit de mode, maar omdat ik het niet wil beschadigen. Daar aan dat veilige haakje aan de witte muur heeft het uiteindelijk de meeste kans dat het ook mij zal overleven. Net als dit verhaal.

©Anneke van de Casteele
Copyright - alle rechten voorbehouden. Overname is niet toegestaan.

donderdag 5 november 2015

TWENTY-FIVE THOUSAND FLOWERS

Not a single day goes by
Without me - admiring you
But I keep on wondering why
Grandma, grandpa and you too,

Had to suffer all this time
For your country and your name
All that’s left for me is rhyme
For The Hague it’s just a game

Never bowed down for Japan
Even though you were their slave
Stood up straight and were a man
Kicked, denied but always brave

What I learnt from you is pride
Never waste a crumb of bread
Never fear and never hide
“Please be strong when I am dead”

I’ll put flowers on your grave
Twenty-five thousand, and some more
Is this thanks for all you gave?
Deserved better, that’s for sure.

Let them wallow in their shame,
Think this is the final word
I will carry on your flame
And make sure you will be heard!


© Anneke van de Casteele
annekevdcasteele.blogspot.nl



woensdag 4 november 2015

VIJFENTWINTIGDUIZEND BLOEMEN - gedicht


Er gaat geen mooie dag voorbij 
Dat ik jullie niet bewonder 
Hoe opa, oma en ook jij 
Zwaar geleden hebben onder 

Het juk gedragen hebben van 
Een volk dat streed voor Nederland 
En na de oorlog met Japan 
In vorst en koude is beland. 

Vijfentwintigduizend bloemen 
Ik kan ze brengen naar je graf 
Namen zal ik blijven noemen 
Zo komt Den Haag er niet van af 

Wat zovelen werd aangedaan 
Zeventig jaar lang negeren
Altijd zijn jullie doorgegaan
En de waarheid zal regeren!


© Anneke van de Casteele
annekevdcasteele.blogspot.nl


woensdag 7 oktober 2015

BENNY

Breda, voorjaar 1942, zomaar een zonnige vrijdagochtend. Na een lange periode van kou en vorst kwamen de eerste voorjaarsbloemen al voorzichtig uit hun knoppen gekropen, om nieuwsgierig om zich heen te zien of de zon er al was. En die was er. De glimmende daken van de huizen in het centrum van de ‘Parel van het zuiden’ glinsterden in de gouden zonnestralen. Zo ook de dakpannen op het huis van Benny, aan het Van Coothplein. Het huis met de mooie, fijn kanten glasgordijntjes, door Benny’s oma, die samen met opa ook in het huis woonde, met engelengeduld gemaakt. Zoals elke morgen om tien over acht kwamen zijn klasgenootjes Benny halen om samen naar school te gaan. De kinderen hadden de traditie bedacht om elke dag iemand anders de eer te geven om aan de statig galmende deurbel te trekken en dan moest Benny aan de andere kant van de deur raden wie er aangebeld had. Deze keer viel die felbegeerde eer te beurt aan Annie, een tenger meisje met een grote lichtblauwe strik in de weelderige goudblonde krullen, met roze appelwangen en ijsblauwe ogen.  
“Ikke! Ik ben aan de beurt!” Met een accuraat en haast wiskundig berekend sprongetje kon ze nét de bel bereiken en een luid, helder getingel gaf terstond aan dat Benny voort moest maken om naar school te gaan.
“Annie! Ja ja, het is Annie!”, schalde een opgewekte jongensstem aan de andere kant van de deur van het huis aan het Van Coothplein. Benny had zijn kleine handen als een toeter om zijn mond gelegd om zich voor het groepje buiten hoorbaar te laten zijn. Juichend van plezier omdat Benny het goed geraden had, sprong het groepje op en neer voor Benny’s deur. 

Annies filmhelden
Een slanke, jonge vrouw met ravenzwart haar en grote donkere ogen opende de zware voordeur. Ze droeg een donkergroene japon, bezaaid met kleine stippeltjes en ze had een wit keukenschortje voor. De kinderen zagen haar graag en Annies vriendinnen Ria en Bets bewonderden haar vooral om haar mooie, ranke figuur, terwijl Annie vooral haar lange zwarte krullen zo prachtig vond. Volgens haar had Benny’s moeder nog het meest weg van Hollywoodster Deanna Durbin, van wie ze kauwgomplaatjes spaarde en foto’s uit tijdschriften knipte die ze in een album plakte. Behalve Deanna Durbin was ook ijsprinses Sonja Henie favoriet bij Annie, en acteur Tyrone Power (The mark of Zorro, 1940) (want ze vond dat Benny best een verjongde uitgave van hem kon zijn met zijn donkere ogen en haar). 

Breda - Van Coothplein
Benny’s moeder had voor elk kind in Benny’s vriendengroepje altijd een vriendelijk woord en met oprechte interesse informeerde zij dan hoe het met hun moeders ging en of ze goed hun best deden op school. Elke ochtend gaf ze hen, net als Benny, ieder een koek mee voor onderweg, of een appeltje. Hoewel Benny’s vader zelf ternauwernood alle in het gezin aanwezige monden kon voeden, was er altijd wel iets dat met Benny's vrienden gedeeld kon worden. “Dank u wel mevrouw!”, ging het dan nagenoeg in koor en lachend en hinkelend vervolgden de jongelui gezamenlijk hun weg naar school, enkele straten verderop. Onderweg werden ze ingehaald door een groepje opgeschoten jongens, waarschijnlijk uit een hogere klas. De jongens liepen met een overdreven grote boog om Benny’s groepje heen, expliciet vieze gezichten trekkend en zodra ze hen gepasseerd waren, werd er geroepen en gejouwd. “Landverraaiers!” en tegen Benny: “Oplichters! Jullie maken Nederland straatarm!” of “Stelletje smousen*!” 

“Doorlopen en niks zeggen. Doorlopen.” 
Jan was de grootste van het vriendenclubje en nam altijd de belangrijkste beslissingen: welke sloot het beste was om overheen te springen, bij welke boer je het gemakkelijkst appels kon plukken en hoe je met een truc de meeste knikkers kon winnen. Benny boog vol schaamte zijn hoofd. 
“Niks van aantrekken Ben!” De meisjes probeerden hem op zijn gemak te stellen. 
“Tuig van de richel, dat is’t. Links laten liggen, ze zijn het niet waard.” 
Zwijgend kwam het groepje even later bij de school aan en speelde nog een snel potje tikkertje totdat de bel ging en iedereen netjes twee aan twee in de rijen voor de deuren ging staan.

Na schooltijd speelden de meisjes bij Bets thuis met hun poppen. Terwijl de minidames van celluloid zorgvuldig in hun zondagse poppenjurk werden gehesen, waren de gebeurtenissen van die ochtend, rond Benny, het onderwerp van gesprek. 
“Stelletje rotjongens... De vader van die ene lange snotjongen, die met die dikke neus, die is bij de NSB, wist je dat?” Bets trok een vies gezicht en kamde de haren van haar pop Toos nog eens goed. 
“Het kwam allemaal door die lelijke ster van Benny.” Ria legde haar pop een moment neer en zei: “Benny’s moeders jurken worden altijd helemaal verpest door dat lelijke gele ding. Geen gezicht.”
Annie dacht aan haar vader, die onlangs de schrik van zijn leven had gekregen toen hij in de stad een Joodse collega had gegroet. Meneer Cohen had zijn hoed afgenomen en groetend geknikt naar Annies vader, die joviaal en zonder er bij na te denken, zijn hand naar hem had opgestoken. Op dat moment haalde een passerende Duitser met een razendsnelle beweging zijn geweer van zijn schouder, laadde het magazijn en richtte in een oogwenk de loop op Annies vader. “Aufpassen, du Schweinhund!” Annies vader was lijkbleek thuisgekomen en kon geen woord uitbrengen. Hij moest eerst even gaan zitten en vroeg om een glas water om bij te komen. Daarna kwamen de tranen. Annie had haar vader nog nooit zien huilen. “Benny kan het niet helpen. En zijn moeder is mooi en lief, veel mooier nog dan Deanna Durbin”, vulde Annie aan. 

In Breda wemelde het van de Duitse soldaten vanwege de van oudsher aanwezige kazernes en de strategische ligging ten opzichte van België. Onderweg naar school en naar huis kwamen de kinderen dan ook regelmatig marcherende Duitsers tegen, luid Duitse schlagers en strijdliederen brullend, strak in de maat en onder ritmische begeleiding van een veelvoud van dreigend ge-klik-klak van het metalen zoolbeslag der legerlaarzen. Aan het einde van de straat waarin de school was gelegen, lag een grote kazerne. Vaak liepen patrouillerende Duitsers met - in Annies ogen bloeddorstige - herdershonden rond de kazerne en dan moest je echt oppassen dat je niet een keer te grazen werd genomen. Sommige soldaten schenen er plezier in te scheppen om de riem van zo’n waakhond dan even iets te laten vieren als je voorbijliep. Annie droomde weleens dat ze door de straten van Breda achterna gezeten werd door een groep Duitse soldaten met blaffende herders. Na het voorval met haar vader was dezelfde droom vaker langs geweest om haar te kwellen. 

De tijd verstreek en Benny had, ondanks de realiteit van een bezet Breda, het grootste plezier met zijn vrienden. Op school wilde eigenlijk niemand meer met hem spelen, of liever: ze durfden het niet. De angst voor represailles door de Duitsers was groot, evenals de angst om verraden te worden door de NSB. Zo kon je vader, je oom of je broer zomaar opgepakt worden en op transport gesteld worden naar Duitsland, als dwangarbeider. Maar Benny’s vrienden trotseerden de angst en bleven hem trouw. Ze werden wel steeds voorzichtiger in hun gedrag op straat, maar lieten hem niet in de steek. En Benny hen ook niet. Benny’s moeder had de kinderen tevergeefs gevraagd om toch alsjeblieft wijs te zijn en zelfs om maar helemaal niet meer te komen; uit veiligheid voor henzelf en hun families. “Helemaal niet”, had Jan vastbesloten gezegd. “Benny hoort bij ons. Wij zijn niet bang. Bovendien moeten we toch hierlangs op weg naar school.” 

Op een even zonnige maandagochtend slenterde het groepje vrienden richting Benny’s huis, Jan voorop. Het was stil op straat en er zong zelfs geen enkele vogel. Bij Benny’s straat aangekomen, viel het hen meteen op dat er iets niet klopte. De ramen van diverse huizen waren met houten planken slordig dichtgespijkerd en overal lag glas en rommel op straat. Op het midden van de rijweg lagen de zwartgeblakerde resten van een lukraak aangestoken brandje. Ze keken elkaar aan en zetten het meteen op een lopen naar Benny’s huis. Ook daar waren de ramen dichtgespijkerd. Er was niets meer te zien van de mooie kanten glasgordijnen van Benny’s oma. Jan trok een paar maal snel achter elkaar aan de bel, maar deze keer deed niemand open. Geen vrolijke jongensstem in de hal, geen vriendelijke lach van Deanna Durbin. Wat was er gebeurd? Bij de buren vragen dan maar. “Nee, niet bij de buren, die lui zijn niet te vertrouwen. Ik vraag wel verderop, bij Bakker.” Jan rende een vijftal huizen verder en belde aan.  Daar werd wél opengedaan. De meisjes bleven verstijfd van schrik wachten bij Benny’s dichtgespijkerde huis.

Even later kwam Jan terug. Hij herhaalde met bibberende, maar vastberaden stem wat mevrouw Bakker hem had verteld. “Gisteren is er een razzia geweest hier in de straat en in de straat hierachter. Ze hebben alles kapot geslagen, de rotzakken.  NSB-tuig. De Joden hier zijn opgehaald. Cohen, Gabriëls, Stein.. Die van Abrahams ook. Er zijn er ook een paar gevlucht, maar van Benny en z’n familie weten ze niks.” Verslagen liepen de kinderen naar school, ditmaal zonder Benny. Er zat niets anders op. Er werd geen woord gesproken. Annie en Ria huilden zachtjes, Bets liep met gebalde vuisten door, vechtend tegen de tranen en Jan veegde snikkend zijn neus af met zijn mouw. De zon hield op met schijnen.

fragment uit Annies Poeziealbum 1940-1945
versje ondertekend met 'De bevrijders van de stad Breda'
(ondersteboven) 1945
Breda werd bevrijd door de Polen, onder leiding van generaal Maczek, op 29 oktober 1944. Door de jaren heen bleven de nachtmerries over achtervolgingen door Duitsers met honden stelselmatig terugkeren bij Annie. Zij heeft nooit geweten wat er met Benny, zijn vader, moeder, opa en oma was gebeurd, evenmin als de andere kinderen. Het heeft altijd aan Annie geknaagd dat zij haar vriendje nooit meer heeft teruggezien. Er werd voor het ergste gevreesd. 

Elk jaar en met name op 29 oktober kwam Benny ter sprake en brandde zij een kaarsje voor hem. Telkens als er een oude film op TV was met Tyrone Power dacht zij aan Benny. Ook de herinneringen aan de Duitsers, de angst voor de met een dreigend gefluit overvliegende V1’s en V2’s, de donkere schuilkelders, razzia’s, de donderende bombardementen en de scherpe granaatscherven in de wanden bij Annie thuis hadden een terugkerend karakter. Ze bezat geen foto van Benny, noch enig ander souvenir aan zijn bestaan. Benny leefde echter voort in haar gedachten en verhalen. Pas jaren na Annies overlijden, vond ik een antwoord op één van de vele vragen. Benny’s opa en oma zijn gestorven in de gaskamers van Auschwitz, Polen. Van Benny en zijn ouders ontbreekt echter tot op heden elk spoor. 
Annie was mijn moeder.

© Anneke van de Casteele

 
fragment uit Annies Poeziealbum 1940-1945
briefje met vertaling Poolse boodschap van soldaat Tadek, 1945

*smousen - scheldwoord voor Joden