vrijdag 23 juni 2017

De Girl Power van Rozemarijntje

"Ik kán best!" was Rozemarijntjes motto. Met deze woorden begint ook het eerste Rozemarijntje-boekje van W.G. van der Hulst uit 1933. "Ik kan best!" Of het nu ging om het beklimmen van het trapje van de grote stoomtrein, of om iets anders gevaarlijks wat kleine meisjes van een jaar of vijf eigenlijk nooit durven: zij durfde het wel! Rozemarijntje had Girl Power avant-la-lettre. Een kleine ode aan een kleine, oude jeugdheldin.

Mijn moeder kocht de boekjes om er mij uit voor te lezen, ergens begin jaren zeventig van de vorige eeuw. Ze kende Rozemarijntje nog uit haar eigen jeugd en kamde diverse boekhandels uit, net zo lang tot ze alle deeltjes bij elkaar had gevonden. Hele volksstammen behulpzame boekverkoopsters in minirok of hot pants trachtten haar allerlei hippe kinderboeken te slijten, als alternatief voor de in hun voorraad ontbrekende 'brave' boekjes uit een grijs verleden. Tevergeefs. Het moest en zou Rozemarijntje zijn en niemand anders.

Rozemarijntje was een vrolijke wildebras, die er niet voor schuwde om in een boom te klimmen of op de rug van een koe. Uiteraard gleed ze van de rug van de koe af en belandde ze pardoes midden in een verse (en vooral geurige) koeienvlaai. Net als mijn moeder, toen ze Rozemarijntjes leeftijd had. Het kostte mijn moeder een paar splinternieuwe witte lakschoentjes en minstens een week buitenspelen. 

De kleine Rozemarijntje was niet alleen stout, ze was ook stoer. Ze liep niet in zeven sloten tegelijk, nee, zij niet. Zij durfde alles en ze was voor niemand bang. Als haar beste vriendje op school werd gepest, nam zij het voor hem op. Ze was bovendien ook lief voor dieren en ze hielp oude en zieke mensen, waar ze kon. De wereld heeft vandaag de dag dringend behoefte aan meer Rozemarijntjes.

Wie door de protestants-christelijke 'moraal in elk verhaal' heen prikt, zal zich ook vandaag de dag nog opperbest vermaken bij het lezen van de vrolijke avonturen van Rozemarijntje. Durf eens te verdwalen in een wereld zonder smartphones, apps, games of social media. Een wereld vol menselijke warmte, heerlijk buitenspelen en ouderwetse kattenkwaad. 

Vandaag bladerde ik weer even in mijn oude kinderboek, op zoek naar jeugdsentiment. Misschien was ik ook wel even op zoek naar mijn moeder. Alle ooit door haar felbegeerde deeltjes van Rozemarijntje heb ik ruim veertig jaar lang zorgvuldig bewaard. De boekjes zijn er nog, Rozemarijntje is er nog. Mijn moeder is er helaas niet meer, maar als ik door 'Rozemarijntje' blader, leest ze mij weer voor en voel ik weer even haar arm om mij heen.

Ik wilde zijn zoals Rozemarijntje. Vermoedelijk wilde mijn moeder dat vroeger zelf ook, maar ik denk dat ze vooral hoopte dat ik niet in een koeienvlaai zou vallen of in zeven sloten tegelijk zou lopen. Nu klim ik doorgaans niet op koeien, dus dat scheelt. Met die zeven sloten valt het ook best mee. Bij elke sloot die ik in mijn leven tegenkom, zeg ik nog steeds: "Ik kan best!" Net als Rozemarijntje, net als mijn moeder.

©Anneke van de Casteele



woensdag 10 mei 2017

LEZEN VOOR DE LIJST? DOE EENS GEK!

Ben je scholier of student? Of heb je (klein)kinderen die moeten lezen voor de lijst? Doe eens gek en zet Indische en Molukse literatuur op je leeslijst voor het vak Nederlands! Ik kan het niet vaak genoeg zeggen, dus bij deze nogmaals.

Ik herinner me nog dat ik een heel pleidooi moest houden bij mijn vastgeroeste docent om titels van Indische en Molukse schrijvers op mijn keuzelijst te 'mogen' zetten, aangezien hij geen van allen zelf gelezen had! We kregen een literatuurlijst aangereikt, waarop een aantal 'goedgekeurde' titels uit de canon van de Nederlandse literatuur stond. Het was ook toegestaan om titels op je leeslijst te zetten, die niet op de uitgereikte lijst stonden, maar dan uitsluitend na overleg met de docent. 

Zo gezegd, zo gedaan. Ik maakte een afspraak met mijn leraar Nederlands om mijn leeslijst te bespreken. Ik moet de goede man ongetwijfeld een uiterst vervelende middag hebben bezorgd. En ik heb daar nog steeds geen spijt van. 

De titels die ik aan mijn lijst wilde toevoegen, kende hij over het algemeen niet, of sommige juist wel, maar vond het 'geen literatuur'. Valide argumentatie voor dit laatste ontbrak mijns inziens en hij merkte dat ik dat doorhad. Uiteindelijk werd overgegaan tot een compromis. Als ik tijdens het mondeling examen goed kon beargumenteren waarom ik een boek wél tot de literatuur vond behoren, zou hij de hem onbekende boeken gaan lezen. 

Behalve een middag, heeft het hem dus ook nog heel wat avonduren gekost. Het zal hem goed hebben gedaan. Het waren stuk voor stuk prachtige boeken die ik op mijn lijst had gezet. Het kan immers ook voor een docent nooit kwaad om de horizon te verbreden of het referentiekader uit te breiden, nietwaar? 

Mijn docent had zich ondanks de werkdruk (want die was er vijfentwintig jaar geleden ook al) toch nog op de voor hem nieuwe boeken gestort en het mondeling examen Nederlands werd een mooie herinnering die ik vandaag de dag nog steeds koester. 

Het is niet 'of-of' maar 'en-en'
De Nederlandse literatuurgeschiedenis omvat ruim vier eeuwen Indische en Molukse invloed, al dan niet gepeperd. Er is een Indische schatkamer te ontdekken vol proza en poëzie. Durf eens los te breken van 'Max Havelaar' of 'De stille kracht' en kies voor werk van Nederlandse auteurs met een Indische of Molukse achtergrond. Er zijn er genoeg! 

Multatuli en Couperus schreven prachtige boeken en kunnen prima op de lijst, maar zij waren Nederlanders en hun boeken zijn dan ook vanuit Nederlands perspectief geschreven. Het is niet 'of-of' maar 'en-en'. Indo's en Molukkers schrijven zich te pletter, maar zijn nog te vaak afwezig op de lijst, dus het is hoog tijd dat daar verandering in komt. Dat laatste is iets wat we zelf kunnen doen door de schoolgaande jeugd bekend te maken met het werk van Indische en Molukse schrijvers - en hen vooral te stimuleren en inspireren. Het is ook veel leuker om een boek te lezen over een onderwerp dat je interesseert.

Meer sambal in je literatuurlijst
De Libris Literatuur Prijs 2017 werd gewonnen door niemand minder dan Alfred Birney. Jawel, een Indo. Zijn boek 'De tolk van Java' doorbreekt het taboe van de doodgezwegen waarheid rondom de bloedige dekolonisatie van Nederlands-Indië. Als dat geen sambal is, dan weet ik het niet meer. 

Birney schreef in 1998 al een lijvig standaardwerk over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren: 'Oost-Indische inkt'. Dus zet je docent eens aan het werk. Ik kan het iedereen aanbevelen. Laat de docent ook maar eens wat sambal proeven in plaats van het zoveelste stukje Turks Fruit en geef hem/haar nieuw leesvoer. Dat vinden ze leuk. 

©Anneke van de Casteele


zaterdag 4 maart 2017

'WIJ ZIJN INDISCHE NEDERLANDERS, GEEN INDONESIËRS'

Dinsdagavond was D66 lijsttrekker Pechtold te gast bij Pauw en Jinek. We zagen hem een concurrent doormidden zagen vanwege zijn tegenstrijdige uitlatingen, terecht overigens. We hoorden hem echter ook een fout maken, die hij later op Twitter 'onzorgvuldig' noemde. Hij benoemde de groep van circa 1,7 miljoen Indische Nederlanders namelijk als 'de Indonesiërs'. Indisch Nederland was in rep en roer. Ook terecht overigens.

Had ik kromme tenen toen ik het hoorde? Je kent me, dus: ja. Keek ik ervan op? Nou nee. Pechtold is niet de eerste en zeker niet de enige die ons 'Indonesiërs' noemt (of erger: Nederlandse Indiërs). 

Is het dan Hollandse onwetendheid? Nou, dat zou kunnen. Ware het niet dat Indo's vaak dezelfde fout maken, met name de jongere generatie omschrijft zichzelf vaak als 'Indonesisch' of gebruikt de termen slordig allebei. 

Is het dan gewoon een onschuldige verspreking? Een verspreking is uiteraard te vergeven. Maar onschuldig is het zeker niet. Met één woord wordt de grootste en oudste groep 'Nederlanders met een migratie-achtergrond' in een hokje gedumpt waar zij niet thuishoort. Voor veel Indische Nederlanders (Indo's) weegt zo'n 'verspreking' loodzwaar. 

Na bijna 75 jaar aanwezigheid in Nederland ziet Den Haag ons nog steeds niet. De bekende blinde vlek. Ze weten donders goed dat we er zijn, maar ze willen het niet zien, want dan moeten ze met de billen bloot wat betreft het uitgebleven rechtsherstel. Van ons zijn ze gewend dat we 'zwijgen' en ons 'aanpassen': de aloude misvatting waar Den Haag toch eens van af zou moeten.

Hé, wat is dat nou? De Indo's zwijgen niet meer. Krijg nou wat. Ze laten van zich horen. 'Wij zijn geen Indonesiërs!' Het was alsof ik mijn vader hoorde, zo'n 40 jaar geleden, toen een ambtenaartje van Burgerzaken bij het vernieuwen van zijn paspoort stelde dat hij in Indonesië was geboren. 

'Ik ben geboren in het voormalig Nederlands-Indië, mevrouw, niet in Indonesië.' 

De blonde onnozelheid zelve achter de balie antwoordde met 'dat is toch hetzelfde?' Zij was een beetje dom, sorry Alex (Pechtold, niet Willy). 

Wat onze democratische volksvertegenwoordiger zich niet realiseert - en iedereen die dezelfde fout maakt - is, dat dat ene woord 'Indonesiërs' de reden is dat wij Indische Nederlanders hier in dit land zijn en niet in Indonesië.

Ik ga op deze plek niet voor de zoveelste keer uitleggen wat een Indische Nederlander is. Wat ik wél doe, is aangeven waarom het geen onschuldige verspreking is, maar een fout, een ontkenning en plein public van ons bestaan, onze identiteit en onze geschiedenis, van ons Nederlanderschap. 

In een notendop: het label 'Indonesiërs' gebruiken is beladen. Het rijt oude wonden open. Het 'staat voor' de bersiap, de verkrachtingen en de moordpartijen, de revolutie, de sale guerre die Nederland tot 1949 voerde. Het staat voor de beledigingen, de bedreigingen, de armoede, de werkloosheid vanwege de door Indonesië genationaliseerde bedrijven. 

Het staat voor de vlucht naar het land van de nationaliteit die in het paspoort stond, het voorgoed achterlaten van je geboortegrond, huis en haard. Het staat voor angst en trauma's. Het staat voor de schandalige opvang in Nederland, contractpensions, torenhoge schulden en niet gehoord oorlogsleed. 

Het staat voor uitgebleven rechtsherstel, zoals nooit uitbetaalde soldij en salaris (de backpaykwestie). Het staat voor het leed van onze ouders en grootouders. Het staat voor aanpassen, racisme en discriminatie.

Voor heel veel Indische Nederlanders ligt er dus heel veel besloten in de 'onzorgvuldige' woordkeuze van Pechtold.

Maar misschien nog wel belangrijker: de uitspraak van Pechtold staat voor de afwezigheid van het Indische verhaal in het onderwijs. Als ik zeg 'Indisch' bedoel ik ook Indisch. Door ons verteld, niet door de roze bril met de witte lenzen van Den Haag. Wij kunnen ons verhaal prima zelf vertellen. En dat doen wij al jaren: als u goed had opgelet, had u dat gezien. 

Als het onderwijs ons niet onzichtbaar had gemaakt, zouden Nederlanders hun vaderlandse geschiedenis kennen, dus ook de koloniale geschiedenis. Dan zouden Nederlanders - inclusief de heer Pechtold - weten wie we zijn en dat wij geen Indonesiërs zijn. 

© Anneke van de Casteele

N.B. De groep Nederlanders met roots in het voormalig Nederlands-Indië is zeer divers en bestaat uiteraard uit veel meer etniciteiten dan alleen Indo's. De term 'Indische Nederlanders'  is veelgehoord in de discussie rondom de uitspraak van Pechtold en heb ik gebruikt ter vereenvoudiging.



English translation

‘We are Indische Nederlanders, not Indonesians!’

Last Tuesday night, February 28, 2017, Dutch D66 democrat party leader Alexander Pechtold was one of the guests on TV talkshow ‘Pauw and Jinek’. We saw him verbally wipe out a competitor in the upcoming Dutch elections, because of his contradictory statements, rightly so. However, we also heard him make a mistake, which he later described on Twitter as 'careless'. He referred to the group of approximately 1.7 million Indische Nederlanders (Dutch Indos) living in the Netherlands today, as ‘Indonesians’. The Dutch Indo community was in an uproar. Also rightly so.

Did I cringe when I heard it? You know me, so yes. Was I surprised? Well,  no. Pechtold is not the first and certainly not the only one who calls us ‘Indonesians’ (or worse: Dutch Indians).

Is it Dutch ignorance? Well, that could be very well possible. Were it not that even Dutch Indos often make the same mistake, especially the younger generation often describes itself as ‘Indonesian’ or even uses both terms, carelessly. This is where education comes in.

Is it just an innocent slip of the tongue? A slip of the tongue could be easily forgiven. However, ‘innocent’ it certainly is not. With the use of only one single word, the largest and oldest group 'Dutch with a migration background’, as it is called nowadays, is put into a box where it does not belong. For many Dutch Indos this ‘slip of the tongue’ has grave connotations.

After almost 75 years of our presence in the Netherlands, The Hague still does not see us. It is the well known blind spot. They know full well that we are there, but they do not want to see it, for then they would obviously have to address the never fully realized restitution of justice for the Dutch Indo community. From us, they expect 'silence' and 'assimilation': the ancient misconception that The Hague should really have to get rid of after all this time.

Hey, what's that? These Dutch Indos no longer remain silent. What the hell. They make themselves heard. "We are not Indonesians!" It was as if I heard my father speak out some 40 years ago, when an office worker of Civil Affairs, while renewing my Dad’s passport, stated that my Dad was born in Indonesia.

"I was born in the former Dutch East Indies, Madam, not in Indonesia."

The blonde innocence itself behind the desk replied, "But that's completely the same thing?" She was being a bit dumb, sorry Alex (Pechtold, not Willy).

What our democratic people’s representative does not realize - and anyone who makes the same mistake - is that that the one word 'Indonesians' is the whole reason that we Dutch Indos are here in this country and not in Indonesia.

I am not going to explain for the 1000th time what a ‘Indische Nederlander’ is. What I will do, is indicate why it is not an innocent slip of the tongue to refer to us as Indonesians, but an error, which holds a denial - and in public - of our existence, of our identity and our history, of our Dutch citizenship.

In a nutshell: to use the label 'Indonesians' is not only technically wrong, it is also laden. It rips open old wounds. Using this label ‘stands for’ the bersiap, the rapes and massacres, the revolution, the 'sale guerre' which the Netherlands led until 1949. It stands for the insults, threats, poverty, unemployment due to the Indonesian government nationalizing Dutch companies.

It stands for fleeing to the country of the nationality stated in everyone’s passport, it meant forever leaving your native land, home and hearth. It stands for anxiety and trauma. It stands for the scandalous reception in the Netherlands, boarding houses, skyrocketing debts and the never heard war trauma, starting all over again from scratch.

It stands for the never materialized restitution of justice, such as the never paid KNIL wages and salaries (the back pay issue). It stands for the suffering of our parents and grandparents. It stands for forced assimilation, racism and discrimination.

So, For many Indische Nederlanders so very much is concealed in the ‘careless’ choice of words of Dutch politician Mr. Pechtold.

But perhaps even more important in Pechtold’s decision to call us Indonesians is the absence of the ‘Indisch’ (Dutch Indo) story in Dutch education. When I say ‘Indisch’, I mean Indisch. Our story needs to be told by us, not through the rose colored glasses with the white lenses, worn by The Hague. We are perfectly capable to tell our own story and we have been doing so for years and years. If you would have been paying attention, you would have seen it, Mr. Pechtold.

If Dutch education had not made us invisible, the Dutch people would have known their own country's history, including Dutch colonial history. Then the Dutch - including Mr Pechtold – would have known who we are, why we are here and that we are not Indonesians.

© Anneke van de Casteele

Please Note: Dutch citizens with roots in the former Dutch East Indies have a large variety of ethnicities, far more than only the Indo-Europeans or Indos. The words 'Indische Nederlanders' or 'Dutch Indos' popped up extensively in the discussion and I used these for simplification. 

zondag 20 november 2016

DE HERFSTTAFEL - kort verhaal

BONK! Met een harde klap wordt een verdwaalde tak tegen mijn slaapkamerraam geslingerd, mij meedogenloos wekkend uit een veel te aangename droom. Ik slof naar het raam en werp een blik op het novembergeweld dat zich in alle hevigheid in mijn doorgaans nogal ‘dooie’ straat afspeelt. Duizenden bladeren voeren een strijd op leven en dood met de wind, die hen wreed de laan uit probeert te sturen. 

Bruin en goud gaan elkaar te lijf. En rood bemoeit zich er ook al mee. Ontelbare slachtoffers worden zonder pardon in grote plassen en modderpoelen gemikt, waar ze voorlopig nog wel een tijdje zullen bivakkeren. Ondanks hun luide protest worden de bomen in de straat ontdaan van hun takken, die machteloos moeten toezien hoe hun bewoners een kopje kleiner worden gemaakt.

Aan de overkant loopt met haastige tred een doorweekte man van middelbare leeftijd met gekromde rug, diep weggedoken in een reeds lang uit de mode geraakte grijze regenjas en een bijpassende sjaal. Met zijn linkerhand houdt hij krampachtig zijn hoed vast en in zijn rechterhand houdt hij een riem omklemd met daaraan een minstens zo doorweekte sloeber van een hond. Zo nu en dan maakt de man noodgedwongen een hink-stap-sprong in een vergeefse poging om afgevallen takken te ontwijken. De hond loopt er netjes omheen.

Morgen zal naar alle waarschijnlijkheid het slagveld ontruimd worden door gepensioneerde buurmannen die met hun ronkende bladblazers al menige ravage driftig te lijf zijn gegaan. Dan is er geen onderscheid meer tussen goud, bruin of rood en wordt alles op keurige hoopjes geblazen, waarna de echtgenotes van de bladblazende buurmannen de hopen slachtoffers met raspende harken en schurende bezems in de groencontainers deponeren. Zo is het altijd gegaan en zo zal het morgen ook weer gaan.

Ik onttrek mij aan het herfstgeweld buiten en kruip knus terug onder mijn veilige, warme dekbed. Beelden van vroeger die bij ‘knus’ en ‘veilig’ horen, verschijnen in mijn hoofd. 

Op de ene hoek van de straat waar mijn oma woonde, stond een enorme (en enorm oude) kastanjeboom. Op de andere hoek stond een dikke eik over wiens wortels je struikelde als je niet oplette. Elk jaar was het feest als beide bomen nietsvermoedende voorbijgangers bekogelden met stekelige bolsters, glimmende kastanjes en eikelmannetjes met hoedjes op. Het was de kunst om zoveel mogelijk mooie, diepbruin glanzende kastanjes en eikeltjes in mandjes te verzamelen. Ook werden mooie herfstbladeren bijeen gesprokkeld, het liefst gouden, maar mooi rood was ook niet lelijk.

Bij oma werd de oogst dan op kranten uitgestort en nauwkeurig beoordeeld, onder het genot van een beker warme chocolademelk (de échte, van oma, niet uit zo'n kartonnen pakje!) en speculaasbrokken. De mooiste exemplaren werden op een rijtje uitgestald, de rest verdween in oma’s gegalvaniseerde metalen vuilnisbak (veel duurzamer dan de kunststof kliko’s van tegenwoordig en je kon ook zo heerlijk erop trommelen). Met de crème de la crème van de oogst hadden wij grootse plannen.

Behalve chocolademelk kwam er ook een pot knutsellijm van de Hema op tafel, vergezeld van restjes wol en verf. Vader moest zijn luciferdoosjes (met inhoud) inleveren en dan kon het jaarlijks terugkerend herfstritueel beginnen.

Onder het deskundig wakend oog van zowel moeder als oma werden fabelachtige ‘herfstwezentjes’ geschapen: kleine mannetjes en beestjes die op oma’s herfsttafel een nieuw leven kregen in luxe met wol en kralen gedecoreerde huisjes van karton en met tuintjes vol felgekleurde herfstbladeren. Af en toe verloor een herfstwezentje een arm of been, maar we hadden luciferhoutjes in overvloed, dus er werd altijd snel eerste hulp verleend.

Je kon uren spelen met het herfstdorp bij oma. Als het tijd werd om de kerstboom binnen te halen, ruimde oma de herfsttafel pas op. Dan was er wéér warme chocolademelk, maar dan met kerstkransjes.

In mijn saaie straat staat geen weelderige kastanjeboom. Wel zijn er eikels in overvloed. Alleen hebben ze tegenwoordig allemaal een bladblazer.

© Anneke van de Casteele


zondag 14 augustus 2016

HET MONUMENT VAN VIJFTIEN-ACHT - gedicht

Omdat herdenken een zaak van oprecht respect is en niet van het etaleren van politiek correcte sympathie. Omdat de oorlog niet ophield op 15 augustus 1945. 

© Anneke van de Casteele


dinsdag 31 mei 2016

PASAR MALAM TEMPO DOELOE - kort verhaal

Pasar malam, tempo doeloe
Herinneringen aan de prehistorie

Als kind liep ik aan het handje mee met papa en mama, struinend en snoepend van een pisang goreng, langs de vele Indische kraampjes op de pasar malam. Deze snotneus keek haar bruine oogjes uit en verwonderde zich over oude en nieuwe dingen, zoals ik vandaag de dag nog steeds doe, althans wat betreft dat verwonderen.  

Van mijn vader moest ik als ‘écht Indisch kind’ alerlei nieuwe smaakjes en lekkernijen proeven en zo trok hij mij ooit gedecideerd aan de arm mee naar een kraam, waar een vreselijke stinklucht vanaf kwam en waar allerlei tropisch fruit lag uitgestald, in vormen en kleuren die ik bij de groenteboer op de hoek nooit gezien had. “Zo heerlijk zoet, je móet dit proeven!” Demonstratief nam hij een stukje fruit van een schoteltje dat op een berg enorme prikkeldingen lag te balanceren en met een luid “mmmm!” verdween het stukje in zijn mond. Als papa het durfde, dan kon ik dat ook best. Maar toen ik oog in oog stond met de stinkende prikkeldingen, heb ik de ziel onder de arm en de benen genomen, mijn vader vol leedvermaak grinnikend achterlatend. Ik moest het nog lang horen. Maar het was het waard geweest, want als troost voor deze traumatische ervaring  mocht ik mee naar de spekkoekkraam en daar wordt ieder Indisch kind vrolijk van.

Mijn ouders sleepten mij verplicht mee naar wajangvoorstellingen, exposities en het muziekpodium, snuffelden (destijds veel te lang naar mijn zin) tussen de Indische boeken en mijn moeder controleerde regelmatig het restant van het zorgvuldig bijeen gespaarde pasarbudget. Ik leerde er hoe afdingen in zijn werk ging bij Indo’s onderling en wat het verschil was tussen wajang golek en wajang koelit. 

De muzikale omlijsting van de pasar is iets waar ik altijd naar uitkeek. De bekende artiesten die zorgden voor zinderende shows natuurlijk in de eerste plaats, maar ik vond de felgekleurde lampen het mooist (en het feit dat de muziek veel harder stond dan thuis ooit toegestaan was!). Ik heb er van genoten. Een keer op de Pasar Gambir in Dordrecht zou de groep Massada optreden. Ze hadden toen een hit met het nummer ‘Sajang É’, wat mij nog steeds tot tranen kan roeren. Niet alleen vanwege de melancholie van het lied, maar ook omdat ik op tijd naar bed moest en Massada trad pas ’s avonds op. Mijn moeder was onverbiddelijk. Dikke tranen heb ik gehuild bij de poster van zanger Johnny Manuhutu, op wie ik destijds grenzeloos en hopeloos verliefd was (en stiekem nog steeds een beetje, zoals zo veel Indische en niet-Indische meisjes). Met betraande oogjes stond ik toen langdurig te kijken naar een leeg podium zonder Massada, waar als decor een enorm doek met een prachtig geschilderd Indisch landschap vol wuivende palmen en bergen mijn nieuwsgierigheid wist te wekken (tussen het snikken door). 

Naast traumatische ervaringen (zoals de lucht van de doerian die na ruim 40 jaar nog steeds rondspookt in mijn reukorgaan en het missen van het optreden van Massada) was er gelukkig wel krontjong. Krontjong asli, dat is waar ik mee opgegroeid ben. Zowel mijn vader en opa als mijn ooms beschikten over een grote platencollectie met prachtige krontjong, waaronder de platen van ‘Lief Java’ van Guus Becker en Leo Spel. Jaren later had ik de eer om krontjongzanger Guus Becker te ontmoeten en met hem over deze unieke muziek te mogen spreken. Hij vertelde mij veel over de ontstaansgeschiedenis van deze muziek. (zie ook mijn blogartikel voor 'De Kritische Katjang'). 

Door de jaren heen veranderde er veel in de samenstelling van ons gezin, onze familie en vriendenkring. De Indische dinosauriërs verdwenen, maar zijn nooit helemaal weggevaagd en de herinneringen zijn gebleven, helder als de dag van gisteren.  Met vrienden deden wij weleens een ‘vergelijkend warenonderzoek’ en we bezochten verschillende pasars in het land; grote, kleine, saaie en gezellige. Zo kwamen we een keer ergens in Brabant op een open lucht pasar terecht; klein, maar met een sfeer die je nog maar zelden tegenkomt. Nu is sfeer een heel persoonlijk iets, maar het aantal lachende mensen om je heen is meestal wel een aardige sfeermeter. 

Er waren natuurlijk allerlei kraampjes, snuisterijen en lekkere hapjes te vinden en er was muziek. Voor het podium dansten de mensen op muziek van Indo-celebrity Dries Holten (bekend als de helft van o.a. de duo’s Sandra & Andres en Rosy & Andres). Andres, die zijn Indische afkomst nooit onder stoelen of banken heeft gestoken en altijd zijn Indisch-zijn heeft gevierd in zijn muziek, kreeg ook deze keer weer jong en oud aan het swingen met zijn Indische liedjes. 

De spekkoekkraam op een pasar is een instituut op zich en oogst dan ook altijd veel bewondering, op welke pasar je ook bent. In Den Haag wilde mijn oom er, toen al dik in de zeventig, altijd het eerst naartoe. Op de lange tafels stonden tientallen kleine rieten mandjes uitgestald, gevuld met kleine stukjes spekkoek in de vele diverse smaken; banaan, chocolade, rum, cocos, pandan en meer van die fijne smaakjes die je alleen al bij het lezen van deze zin doen watertanden.. Mijn oom begon altijd helemaal links bij schaaltje nummer 1 en ging dan zo het hele rijtje af, om dan vervolgens weer terug te lopen naar het eerste schaaltje en het ritueel te herhalen. De verkopers kenden hem gelukkig al (want mijn oom had natuurlijk een passe-partout). “Welke wil je kopen, oom?” probeerden wij dan tevergeefs. “Nee, ik hoef niet, ik hou niet van spekkoek” was dan steevast het antwoord.

Mijn oom genoot van de krontjong, vooral van de krontjong asli en altijd weer kwam dan zijn zakdoek tevoorschijn om zijn neus in te snuiten en zodoende zo onopvallend mogelijk een traantje weg te pinken, in de ijdele hoop dat wij het niet gezien hadden. 

Slenterend van de ene tent naar de andere mopperde hij traditiegetrouw en zonder gêne over de ‘kauwgomballententen’ (zoals hij de niet-Indische kraampjes noemde). Pas veel later ben ik dat gaan begrijpen. Mijn oom had Jappenkamp, Birmaspoorweg, Hiroshima en Bersiap overleefd en hij had zijn geliefde Indië moeten verlaten; van mij mocht hij mopperen. 

Op een keer hoorden wij achter ons heel hard mijn ooms naam roepen. Verschrikt keek mijn oom om (en wij ook). “Ja, jij daar! Hoe is het? Ken je mij niet meer?” Mijn oom keek een andere bejaarde Indo onderzoekend in de ogen en vroeg argwanend: “En wie wil dat weten?” Daarna noemde de man een adres in Tegal, en mijn oom en hij bleken buurjongens te zijn geweest! Zelfs na zowat veertig jaar wist de ‘oude’ buurjongen (letterlijk en figuurlijk, want hij woonde immers ook in Den Haag, net als mijn oom) nog wie ‘die schavuit van nextdoor’ was. Een prachtige ontmoeting die mij altijd is bijgebleven en waar ik mij nog steeds heerlijk over kan verwonderen. 

Ontmoetingen, daar ging en gaat het om op een pasar. Ook na het wegvallen van de dinosauriërs ging ik erheen. Inderdaad, ‘ging’, want de laatste jaren moet ik er een heel eind voor reizen en zo zonder dinosauriërs naast mij word ik er al gauw wat treurig van. Bovendien houd ik niet zo van (kouwe) drukte. Hoewel het uitwaaien in Scheveningen na afloop ook wel weer iets had. Of het thuis goreng-en van je meegebrachte hapjes en het oprapen van de melatibloempjes die altijd in groten getale onderin de tas lagen in plaats van dat ze aan het meegebrachte plantje zaten. Maar de herinneringen houden me ook nu nog warm en door ze op te schrijven, houd ik hen levend. Niet alleen de eetkraampjes, de spekkoek, de muziek en de snuisterijen maakten de sfeer op de pasars, maar juist die ‘dino’s’ (anagram voor ‘indo's’.. zie je dat?) deden dat voor mij. Nu ben ik zelf zo langzamerhand een ‘indosauriër’ geworden, een uitstervend ras. Maar deze is nog alive and kicking, net als mijn herinneringen!

© Anneke van de Casteele


maandag 16 mei 2016

OMGEKEERD - gedicht

Je handen in je moederschoot,
Je blik respectvol en bedeesd.
Jij gaf hem elke dag zijn brood
En was voor toean vaak bevreesd.

Boog voor hem neder op de grond,
Zo ter aarde neergezeten..
Geen weerwoord kwam ooit uit jouw mond,
Nooit heb jij hem iets verweten.

In rang zelfs lager dan een kind
Dat geen besef had van het leed,
Van ras of kleur of donk’re tint,
Maar dat alleen zijn baboe weet.

Onrecht met paplepels gevoerd,
Voor inlanders geen achternaam.
Zolang de Belanda maar goed boert,
’t Is daarom dat ik mij zo schaam.

Die kleine, frêle bruine vrouw,
Daar zo gezeten op de grond,
Verdient een kruis voor moed en trouw
En als een pleister op een wond;

Een mooi voetstuk om op te staan
En de Hollander mag zitten
Waar jij ooit zat en bent gegaan
Geen macht meer voor de witten.

En ik? Ik zit ertussenin..
Waar hoor ik bij? Wie ben ik dan?
Geen baboe, blanke evenmin.
Wel Indo, die wat dichten kan!

Nederland deed goede zaken.
De rollen zijn nu omgekeerd.
Laat ons samen ervoor waken.
Opdat onrecht nooit meer wederkeert.

***
© Anneke vd Casteele


Foto: gebruikt met vriendelijke toestemming van 
Hans/www.imexbo.nl

maandag 25 april 2016

OMA’S PANNETJE – kort verhaal

Zwijgzaam hangt oma’s pannetje aan mijn maagdelijk witte keukenmuur. Één stille getuige van duizenden selamatans en familiediners. Oma’s pannetje heeft net als opa jaren trouwe dienst gedaan; opa in het KNIL en het pannetje in oma’s keuken, daarna in die van mijn moeder en later in de mijne. Het pannetje, een prachtig grijs geëmailleerd wadjannetje (je weet wel, zoals ze die niet meer maken tegenwoordig), heeft de meedogenloze tand des tijds wonderwel doorstaan. Wonderwel, want zelfs na ontelbare liters gloeiende sambal door de jaren heen, vertoont het pannetje nauwelijks slijtage. Mijn oma was er zuinig op.

Mijn oma sleepte haar pannetje overal mee naartoe. Nou ja, niet letterlijk overal natuurlijk, want als zij boodschappen ging doen of naar de kapper ging, liet ze het veilig thuis. Maar als er wat te vieren viel bij familie of als ze ‘gewoon’ even bij een kennis op bezoek ging, werd het pannetje zorgvuldig verpakt in keukenpapier en daarna in een plastic tas van V&D gewikkeld (ook al verdwenen, kasian). Samen met een heel arsenaal aan kruiden, potjes zelfgemaakte sambal en groente werd het pannetje dan in een grote boodschappentas naar de plek van bestemming vervoerd. ‘Je weet nooit toch? Altijd makkelijk. Je zult wel zien.’

En ‘zien’ deden we. Als oma haar derde kopje koffie op had en haar vijfde spritsje, glipte ze ongezien, gewapend met pannetje en boodschappentas, naar de keuken van de gastheer of –vrouw, om die vervolgens te verklaren tot ‘bezet gebied’. Het pannetje kon niet anders dan zich zonder enig verzet overgeven aan de kooklust van mijn oma, tot ieders groot plezier. ‘Laat haar maar even’ was dan het overbodige commentaar van mijn opa. Overbodig natuurlijk, want er kwam sowieso geen kip die keuken meer in (buiten die ene in oma’s boodschappentas). Wél eruit, maar daar had niemand problemen mee, zolang het maar op een schaal was, vergezeld van een parade van oma’s sauzen en sambals.

Het pannetje had een lange reis afgelegd. Samen met oma en opa was het min of meer onvrijwillig geëxporteerd naar Holland, meer dan een halve eeuw geleden. ‘Het verhaal van het pannetje’ vertelde mijn oma aan een ieder die het horen wilde. Hoe het pannetje er nog hing, toen zij terugkeerde na drieënhalf jaar gevangenschap in het Jappenkamp, hoe de plunderaars tijdens de bersiap wonder boven wonder het pannetje hadden gemist tijdens het leegroven van het huis in Batavia en hoe zij het pannetje onder in de houten kist had verstopt tijdens de bootreis naar Holland, in jurken en in een sprei gewikkeld. 

Steevast vertelde zij ook hoe graag zij die vervelende vent van het contractpension ermee op zijn kale knikker had willen slaan, maar het niet had gedaan omdat zij het pannetje beslist niet wilde beschadigen. Toen zij en opa eindelijk een eigen huurhuisje konden betrekken, ergens driehoog achter (maar gelukkig ver weg van ‘dat akelige pension’), was het pannetje het eerste stukje huisraad dat een ereplaatsje kreeg: aan de door oom Boy maagdelijk wit gekalkte muur van het keukentje, pal boven de keukentafel, zodat het meteen opviel als je binnenkwam.

Mijn moeder was ook altijd zuinig op het pannetje geweest. ‘Denk erom, voorzichtig, het is nog van oma!’ Mijn moeder had van oma én het pannetje koken geleerd. Ook zij kende ‘het verhaal van het pannetje’ en vertelde het in geuren en kleuren door aan een ieder die het horen wilde, toen oma het zelf niet meer kon. Ook aan een ieder die het niet horen wilde of die er volgens haar ‘Oost-Indisch doof’ voor was, maar ze vertelde het tóch. Met vallen en opstaan had het pannetje de kookkunsten van mijn moeder overleefd en uiteindelijk ook mijn moeder zelf.

Het pannetje dat drie generaties was meegereisd van tempo doeloe naar 2016 mag nu eindelijk eervol met welverdiend pensioen na al die jaren trouwe dienst. Oma is er al lang niet meer, het huisje driehoog achter ook niet en Indië ook niet meer. Maar bij mij heeft oma's pannetje een ereplaatsje gekregen, pal boven de keukentafel, zodat je het als eerste ziet als je binnenkomt. Ik gebruik het niet meer. Niet omdat het oud is of uit de mode, maar omdat ik het niet wil beschadigen. Daar aan dat veilige haakje aan de witte muur heeft het uiteindelijk de meeste kans dat het ook mij zal overleven. Net als dit verhaal.

©Anneke van de Casteele
Copyright - alle rechten voorbehouden. Overname is niet toegestaan.

maandag 21 maart 2016

VIJFENZESTIG - gedicht

Vandaag, 21 maart 2016, is het precies 65 jaar geleden dat de eerste Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen op de Lloydkade in Rotterdam arriveerden. Door de Nederlandse overheid op dienstbevel (!) naar Nederland gehaald voor een tijdelijk verblijf van zes maanden, om daarna terug te kunnen keren naar de hen beloofde vrije Republiek der Zuid-Molukken. 

In plaats daarvan volgde bij aankomst ontslag uit het KNIL en jarenlange erbarmelijke huisvesting in barakkenkampen, waaronder de voormalige concentratiekampen Westerbork en Vught. De Molukse groep werd opzettelijk buiten de Nederlandse samenleving geplaatst en genegeerd. Nederland brak een belofte en probeerde haar Molukse onderdanen die voor volk, vorst, vlag en vaderland hadden gestreden simpelweg te vergeten.

Ter nagedachtenis aan hen die 'dankzij' een politiek spel hun geboortegrond en hun families nooit meer zouden terugzien, heb ik dit gedichtje 'Vijfenzestig' geschreven.

MENA MURIA.

© Anneke van de Casteele


donderdag 17 december 2015

DE VLUCHT - een kerstverhaal

“Hoofd naar beneden! Snel! Weg dan, wég!” Met een zenuwachtig, snel wuivend handgebaar maande Youssouf zijn vrouw om zich zo goed mogelijk te verbergen. Diep weggedoken in een grote donkergrijze omslagdoek kroop Maryam nog dieper weg, in de hoop op deze manier aan de aandacht van enkele argwanende passanten, maar vooral aan het gevaar in de verte te kunnen ontsnappen. Ze boog zich zo ver mogelijk voorover, dook weg achter Youssouf en probeerde zo hun waardevolste bezit dat zij aan haar hart gedrukt hield aan het oog van de barre buitenwereld te onttrekken.

Aan de gitzwarte hemel boven Maryam schitterden duizenden sterren, soms flakkerend als kleine kaarsvlammetjes in een tochtige kamer. De ijskoude wind sneed haar in het met een grauwe stoflaag bedekte gezicht en de honger geselde genadeloos haar maag. Ze kon zich niet eens meer herinneren wanneer ze voor het laatst gegeten had. Vier, vijf dagen geleden misschien? Het laatste brood dat ze bij zich hadden, had ze vanmorgen week gemaakt in het met water verdunde laatste restje melk. Dit had ze aan haar zoontje gegeven, in plaats van het zelf op te eten. Morgen zouden ze pas weer gelegenheid hebben om te rusten en hopelijk kon Youssouf dan ook wat eten voor hen regelen. Youssouf.. Wat is hij sterk, dacht Maryam. En aldoor bleef hij waakzaam en beschermde hij zijn gezin. Bij hem zijn we altijd veilig, als we maar samen blijven, komen we er wel, dacht Maryam.

De kleine Isa, amper een paar weken oud, sliep kalm en rustig; diep verzonken in de vredige slaap der onschuldigen, veilig in de armen van zijn moeder. Slechts een klein kuchje verraadde zijn aanwezigheid in de grote omslagdoek; een kuchje zonder geluid dat enkel voelbaar was voor zijn moeders hart. Isa had geluk gehad, ondanks dat de huidige situatie het tegendeel deed vermoeden. 

De eerste weken van Isa's prille leventje waren, op zijn zachtst gezegd, onrustig verlopen. Het noodlot sloeg toe, toen zijn ouders een oproep kregen om zich etnisch te laten registreren in de geboorteplaats van de vader, het hoofd van het gezin. De overheid had het een ‘volkstelling’ genoemd, maar het volk wist wel beter. Je kon er niet onderuit, want bij controle kon men opgepakt en zwaar gestraft worden als men geen ID kon laten zien, of erger.. Maryam durfde niet eens te denken aan wat er dan zou kunnen gebeuren.

Ze waren samen op pad gegaan, zoals zo velen. Isa was toen nog veilig genesteld geweest in de buik van zijn hoogzwangere moeder. Het was een lange voettocht geweest en Youssouf had zijn best gedaan om zijn vrouw zoveel mogelijk te ontlasten. Zo had hij onderweg een ezeltje kunnen huren. Het diertje was oersterk en had Maryam moedig en zonder morren de hele weg gedragen.

Het hele land was al tijden ontregeld door het rigoureuze beleid van de nieuwe regering, of liever gezegd: het nieuwe regime, want van een democratisch gekozen leiding was geen sprake. In de steden noch op de landwegen was het veilig: overal lagen rovers en rebellen op de loer. Maar wat moest, dat moest. Hoe eerder ze aan hun registratieplicht hadden voldaan, hoe sneller ze weer huiswaarts zouden kunnen keren. Er zat niet veel anders op dan flink door te stappen en te bidden voor een veilige terugkeer.

Eenmaal in de stad van bestemming aangekomen, bleken alle motels en herbergen bezet te zijn. De volkstelling had een enorm aantal reizigers teweeggebracht. Waar Youssouf en Maryam ook aanklopten, nergens was plaats. Tenzij ze een absurd hoog bedrag neer zouden tellen; dan bleek er nog toevallig wel een plekje vrij. Maar Youssouf was maar een eenvoudige timmerman en kon amper rondkomen van zijn schamele loon. Voor de hoogzwangere Maryam werd door de herbergiers ook geen uitzondering gemaakt en bij sommige pensions werden ze zelfs zonder pardon weggejaagd.

Uiteindelijk vond Youssouf een plekje in een eenzame hooischuur aan de rand van de stad, waar zijn vrouw diep in de nacht het leven schonk aan de kleine Isa. De enige kraamvisite die de kersverse ouders kregen, waren een paar nieuwsgierige schapen en runderen. Van welriekende, zoete Zwitsal-babyluchtjes was in die wel heel erg 'basic' kinderkamer dus weinig te merken, dankzij de bijzondere kraamvisite. Het kon Maryam en Youssouf weinig schelen: ze waren dolgelukkig met de geboorte van de kleine Isa, hun langverwachte zoon.

Toen het jonge gezin een paar dagen later, na de registratie, eindelijk aan de terugreis kon beginnen, braken er uitzonderlijk gewelddadige rellen uit in de streek waar ze woonden. Groepen extremisten voerden etnische zuiveringen uit en pleegden overal aanslagen waarbij vele onschuldigen om het leven kwamen. Er zat dus niets anders op voor Youssouf en zijn gezin dan te vluchten naar een andere streek of zelfs een ander land waar wel veiligheid was. Zo brak een angstige en vooral onzekere tijd aan, getekend door doodsangst, honger, dorst en blaren op de voeten. 

“Daar zijn ze weer, kijk uit!”

Youssouf wees zo onopvallend mogelijk op drie mannen in de verte, aan de overkant van de modderige landweg en ging vervolgens breeduit voor Maryam lopen.

“Mensensmokkelaars.. maak je zo klein mogelijk!”

Gelukkig konden ze allebei wegduiken achter een groepje mensen dat voor hen liep, waardoor ze niet meer opvielen. Zo ging het de hele nacht door. Zo ging het al dagen. Pas toen het lichtblauwe schijnsel van het ochtendgloren de eerste sterren aan de hemel verjoeg, gaf Youssouf het teken dat het veilig was om te rusten en namen ze plaats langs de kant van de weg.

Maryam keek om zich heen en overal waar ze keek, zag ze vluchtelingen, net als zij en Youssouf. Aan de stroom mensen voor en achter haar leek maar geen einde te komen. Mannen, vrouwen en kinderen, jonge gezinnen zoals het hare, maar ook bejaarden en mensen met krukken.

De omliggende landen hadden grensbewaking ingesteld om te voorkomen dat mensen daar veiligheid zouden zoeken. Vluchtelingen zijn immers nooit ergens welkom. Mensen die probeerden over de grens te komen, werden door soldaten en politieagenten in burger hardhandig tegengehouden. Hier en daar lagen gewonden langs de weg. Een oude vrouw hield huilend haar gewonde zoon in haar armen en smeekte om hulp. Kinderen schreeuwden in paniek en van de honger. De moed zakte Maryam in de schoenen.

Kleine Isa werd wakker en keek zijn moeder aan met grote ogen, verwonderd over de nieuwe dag en het prille zonlicht dat zijn moeders ogen deed schitteren als de grote saffieren uit de mijnen van Kasjmir. Zo klein als hij was; Isa wist in een oogwenk een glimlach om zijn moeders mond te toveren, ondanks alle ellende om hen heen. Zijn vader strekte even de benen en ging toen even rusten. Straks weer verder, op naar het volgende grensdorp. Het gerucht ging door de stroom mensen dat daar wél hulpvaardige burgers waren die voedsel en water uitdeelden. Nog even volhouden.

“Voor jou hou ik het vol, mijn kleine ventje, voor jullie, voor ons..” 

Het volgende dorp was een klein gehucht aan de grens, dat eigenlijk bestond uit één straat en een paar boerderijen. Toen Youssouf en zijn gezin daar aankwamen, was het een gedrang van jewelste bij de met hekken afgezette ingang van het dorp. Een groepje burgers deelde inderdaad voedsel uit en flesjes water. Een vrouw van middelbare leeftijd stond naast een grote jute zak waar ze speelgoed uit haalde om dit vervolgens uit te delen aan de kinderen. Maryam voelde zich blij en verdrietig tegelijk en ze kon haar tranen niet langer tegenhouden. De vrouw met het speelgoed zag het en wenkte naar Maryam: “Kom maar hierheen, kom maar.”

Langs de kant van de weg stonden enkele dorpelingen de drukte gade te slaan en luidruchtig met elkaar erover te praten. Maryam droogde haar tranen en gaf kleine Isa de fles, terwijl Youssouf in de rij ging staan om eten te halen. Eindelijk weer verse melk, dacht Maryam. Haar aandacht werd afgeleid door een van de luidruchtige dorpsbewoners, die overduidelijk stond te mopperen.

“Moet je nou toch kijken, dat krijgt alles maar gratis en voor niks.. En wij moeten ervoor opdraaien. Voor hetzelfde geld zijn het terroristen. Let maar op!”

De vrouw in kwestie wees op Maryam en Isa. Ze had blond haar en een rood gezicht.

“Ja, het is echt schandalig dit, niet normaal meer. Moeten wij voor al die schooiers opdraaien?” mopperde een nogal gezette, kale man met een dikke neus.

“Wedden dat ze straks nog eerder een huis krijgen dan ik? En ze vangen nog meer geld per maand ook”, mopperde de hoogblonde vrouw weer.

“En wij maar belasting betalen voor dat stelletje criminelen”, zei de man met de dikke neus.

De vrouw van het speelgoed en de melk keek boos naar het mopperende tweetal en riep: “Stel je niet zo aan Ingrid, je hebt pas een nieuwe caravan gekocht, dus zo slecht heb je het nou ook weer niet. En zeg Henk, sinds wanneer betaal jij eigenlijk belasting?”

Boze blikken waren het antwoord en het tweetal droop uiteindelijk mopperend en scheldend af. Kleine Isa had gelukkig niets gemerkt van het tumult en genoot zichtbaar van zijn flesje melk. De vrouw glimlachte vergoelijkend naar Maryam.

“Let maar niet op die twee, meid, ze hebben niks anders te doen. Vannacht blijven jullie gewoon hier. We regelen wel wat.. Het is tenslotte kerst!” 

Mijn kerstwens
Als je straks gezellig samen met je dierbaren aan het kerstdiner zit, denk dan ook eens aan de allereerste vluchtelingen van onze jaartelling. Het zijn ook de bekendste vluchtelingen tot op de dag van vandaag. Zij zijn de reden waarom men kerst viert. Denk voor de verandering eens aan Jozef, die met zijn vrouw Maria en het kindje Jezus vluchtte naar Egypte, zo’n 2015 jaar geleden. Op de vlucht naar Egypte: een barre tocht vol gevaren, dwars door de woestijn. Op de vlucht voor de terroristen van koning Herodes, die alle jongetjes van nul tot twee jaar oud liet vermoorden uit angst voor de voorspelling dat er een nieuwe koning geboren zou worden. Op dit moment vluchten duizenden vaders en moeders met gevaar voor eigen leven, om te proberen hun kinderen een veilige toekomst te geven. Ook tijdens onze feestdagen.

Of je nu wel of niet gelovig bent, maakt niets uit: de kersttraditie zoals wij die kennen in het Westen, vindt haar oorsprong in het Oosten, in een eeuwenoud verhaal dat draait om vluchtelingen, familie en barmhartigheid. Kerst gaat niet over de gezellige, dikke “ho ho ho” roepende Santa Claus in z’n bekende rode pak (ooit bedacht in 1931 door The Coca Cola company voor een reclamecampagne). Het gaat om liefde, dankbaarheid en vooral om veiligheid voor iedereen. Veiligheid voor terreurdreiging en voor het kwaad in deze wereld. Elk mens verdient een veilig plekje waar hij/zij zich thuis kan voelen en vooral: elk kind. Recht op een warm, menselijk welkom na de vlucht in plaats van spandoeken en demonstraties van mensen die zich niet in een ander mens kunnen verplaatsen en daarom geen flauw benul hebben van wat het is om te vluchten voor je leven en alles achter te moeten laten.

Ik wens iedereen een fijne en vooral veilige kerst toe en een beter 2016.

Liefde & licht xxx
Anneke


© Anneke van de Casteele
annekevdcasteele.blogspot.nl